9. HET RIJKE ROOMSE LEVEN
De Koolwijk
Zondag 26 juli 1885 was het de feestdag van de Heilige Anna. Zowel buiten als in de kapel op de Koolwijk in Herpen was alles prachtig versierd op deze bijzondere dag. Van heinde en verre kwamen de bedevaartgangers naar de Annakapel op de Koolwijk om steun of verhoring van hun gebeden te krijgen. Anna was de moeder van Maria. Ook werd Anna aangeroepen door vrouwen die moeilijk kinderen konden krijgen. Bejaarden riepen haar aan voor een gezegende oude dag, echtparen vroegen haar om hulp voor een harmonisch huwelijk. Vrouwen, die ongehuwd waren, vroegen om een echtgenoot: "Sint Anneke, Sint Anneke, geef me toch 'n manneke".

Sint Anna Kapel.

Het beeld "Anna te Drieën" (ca. 1490)

Anna te drieën beeld en plaquette
De kapel bezat een oud beeldje uit omstreeks 1490 van Anna te Drieën. Het Anna-te-Drieënbeeld was 90 cm hoog en van hout. Anna en Maria zaten naast elkaar op een bank Rechts zat Anna met sluier en hield in haar handen een druiventros en op haar schoot lag een geopend boek. Maria gekroond, bevond zich links en droeg op haar rechterarm het naakte Christuskind, dat zijn handjes uitstrekte naar de druiventros . Ook was er nog een ander beeld, groter, maar ook van hout, dat niet nog niet zo oud was. Het stond in de zuidzijde van het schip, tegen de meest oostelijke zuil. Anna, staande hield haar linkerhand op de schouder van Maria, die rechts voor haar stond, gekleed in een tunica. Met haar rechterhand wees Anna in het opengeslagen boek, dat Maria op haar linkerhand hield. Ook was er een reliek van de Heilige Anna. De zilveren reliekhouder was in een monstrans geplaatst. De kerkgangers konden op deze dag of de week erna een volle aflaat verdienen.
Op zo'n feestdag werden er soms wel vijf missen gehouden.
Bijna was Lambertus den Brok niet gegaan. Bertus de Krel noemde ze hem ook. Maar zijn kinderen hadden hem toch overgehaald. De laatste jaren waren zwaar geweest. Eerst was hun zoon Jan Willem gestorven, vier maanden oud.
Zijn dappere vrouw Hendrica van de Mosselaar was bij de geboorte van hun elfde kind Hendricus vorig jaar overleden. Het was een te zware bevalling geweest. Dezelfde dag hadden vreugde en verdriet zich afgewisseld.
Twee maanden later had ook nog hun vier jarige dochter Johanna Wilhelmina de dood gevonden door een besmettelijke ziekte. Tot overmaat van ramp was in februari ook nog Henricus overleden, het kind, dat voor Hendrica noodlottig was geworden. Zijn acht andere kinderen hadden hem tenslotte zo ver weten te krijgen, dat hij deze dag niet zou overslaan. Hij wist het wel: “God gaf en God nam.”

Lambertus den Brok

Henrica van de Mosselaar
Ze zaten allemaal bij elkaar. Zijn dochters: Petronella, die de kleine Willem op de arm had, Johanna , Cornelia en Wilhelmina. En zijn andere zonen Petrus, Johannes en Gerardus.
Als kleine landbouwer op de Kleine Koolwijk had hij toch een rijk gezin en was hij God dankbaar. De “Kollik” zeiden de mensen hier. Hij wist, dat dat kwam van het woord “Coelbeeck”, een koele, heldere beek, die hier had gestroomd. Vroeger had die beek van de hogere heigronden naar de Beerse Maas gestroomd. De Beerse Overlaat zorgde regelmatig voor wateroverlast in Herpen. Herpen was een gebied van water en zand.
Wegen in Herpen bestonden voornamelijk uit karrensporen en paden voor de paarden. Gelukkig was er in 1867 een provinciale weg aangelegd. Herpen was toen, in het begin van de twintigste eeuw, een zelfstandige gemeente met zijn eigen burgemeester. De veldwachter was heer en meester en handhaafde de orde. Lambertus vond het opmerkelijk dat grote delen van Nederland al waterleiding hadden, maar dat Herpen liever naar de pomp liep of de put gebruikte voor drinkwater.
Terwijl hij even aan zijn snor voelde, begon hij uit volle borst mee te zingen met het Latijnse Gloria in Excelsis, wat pastoor Barten had ingezet. Er viel een last van zijn schouders.
Een nieuwe boerderij.
Willem den Brok was arbeider en landbouwer. Ze noemde hem ook wel Willem de Krel. Hij was op zijn vierentwintigste met Lentje (Helena) den Brok getrouwd. Dat was op 7 oktober 1905. Lentje den Brok was de dochter van Sijmen den Brok en Cornelia van der Venne. Heel ver weg was Willem familie van Lentje. Want de betovergrootvader van de vader van Lentje, een Cornelis, was een broer van de betovergrootvader Daniel van Willem.
Willem had het erg druk. Werken op de boerderij en het land, maar in de namiddag en avond werken aan zijn nieuwe boerderij. Terwijl Willem met zijn kruiwagen vol stenen naar het half af gebouwde huis reed, moest hij terugdenken aan de voorafgaande jaren.
Lentje en hij waren op de Kleine Koolwijkse straat gaan wonen in een klein, wat vervallen huisje. In het huisje was een grote herd, maar zonder kachel of fornuis. Er was een open vuur onder een schoorsteen, waar gekookt moest worden. Er waren geen slaapvertrekken, wel was er een bedstee. Met de komst van de kinderen werden er slaapplekken gemaakt achter een gordijn of op de geut onder het dak. Er werd geslapen op een soort stromatrassen met soms wel vier kinderen tegelijk.
Een nicht van Lentje, Lien van Uden, had bijna alle kinderen mee ter wereld gebracht. De eerste vier jaar van hun trouwen waren er nog geen kinderen gekomen. De pastoor was zelfs ongerust komen informeren. Hij had gezegd dat ze moesten vertrouwen op God, dan zou God hen wel zegenen met kinderen. In de lente van 1909 was Harrie gekomen. Een zomer later kwam Sien en weer anderhalf jaar later Albert in januari 1912. Het jaar daarop verscheen Kee en iets meer dan een jaar later werd Piet geboren. Opnieuw met iets meer dan een jaar er tussen kwam Mien. Daarop weer een jaar later kwam Cornelis.

Willem den Brok

Lentje den Brok
Vervolgens werd in maart 1918 Wim geboren. Grad kwam weer ander half jaar later. Jan kwam in november 1920. Als gezin hadden ze ook een tegenslag te verduren gekregen, toen Cornelis, vier jaar oud overleed. Lentje was al in verwachting en toen het kind in oktober werd geboren, werd het niet voor niets Cor genoemd.
Met Wimke was een probleem. Hij had de Engelse ziekte gehad en wilde niet meer lopen. Hij bleef maar rondkruipen. Met de hulp van de grote kinderen werd er net zo lang aan de hand mee rondgesjouwd tot Wimke het zat was en zelf wilde lopen.
Het was al met al een grote drukte in huis met al die kinderen. Gegeten werd er aan een grote tafel. Iedereen zat dan naast elkaar op zelfgemaakte banken en op tafel stond een grote pan. Treuzelen was er niet bij, want dan kon je honger lijden. Veel geld was er niet. Kleding werd hersteld en door de volgende verder afgedragen. Toch vond Willem het belangrijk dat de kinderen ook zelf soms iets konden kopen. Daarom gaf hij de ouderen traktement: een dubbeltje per week.
Willem en Lentje waren erg gelovig. Bidden voor en na het eten, regelmatig naar de kerk, iedere week biechten en 's avonds samen het rozenhoedje bidden. Verder hard werken, geen praatjes en een zorgvuldige bewaking van slechte invloeden van buitenaf. Pastoor en kapelaan waren kind aan huis.
Elke dag moesten de kinderen naar school lopen.. Dat duurde bijna een uur. Willem en Lentje hadden besloten om de schoolgaande meisjes door de week onder te brengen bij de nonnen in Herpen. Daar kregen ze eten en een godsdienstige opvoeding. De jongens mochten overdag eten bij de nonnen, maar moesten wel naar huis om daar nog wat mee te
werken. Elk jaar hadden ze er een stuk land bijgewonnen door een stukje bos om te hakken en meters diep om te zetten.
Willem werkte hard. Veel seizoenen was hij gaan maaien in Holland en Duitsland voor extra inkomsten. Op de boerderij zelf was ook genoeg werk: de varkens en de kippen voeren, koeien melken en werken op het land. Voor de kar en de ploeg had hij geen paard, maar een os.
Wel was hij de eerste en enige in de omgeving die een mechanische broedmachine had, die eieren uitbroedde, waardoor hij een mooi kippen fokbedrijf had opgebouwd.
Ondertussen was het huisje veel te klein geworden voor het zich steeds uitbreidende gezin. Dus had Willem besloten om zelf een nieuw huis te bouwen. Eerst plannen maken en toen aan de slag. Af en toe hielp iemand, maar bijna alles deed hij zelf: deuren en kozijnen maken, grond uitgraven, timmeren en muren metselen. Elke dag werd er na het werk op de boerderij tot 's avonds laat aan het nieuwe huis gewerkt.
Het huis schoot al op. Nog een paar maanden en dan zou het af zijn.
Tuberculose.
Achter het huis stond een grote tent. Die zomer van 1935 lag Willem op een bed in die tent. Hij was ziek. Hoestbuien wisselden af met moeilijk ademhalen. Hij had nadat het huis was afgebouwd in 1923 te weinig rust genomen ondanks de uitputting. Een verwaarloosde longontsteking had hem ziek gemaakt. Hij kreeg de gevreesde ziekte TBC. Soms moest hij lang hoesten en slijm opgeven. Hij was moe, had soms koorts en zweette erg. Ademhalen ging moeilijk. Vaak bleef hij buiten achter het huis in een tent. Hij at apart aan een tafeltje. Soms ging hij wandelen met zijn hond Nero. Echt herstellen lukte niet . Hij bleef ziek en zwak.

Willem en zijn radio.

Willem in een veldtent achter het huis.
Nog tijdens de bouw was Cor al geboren. Lentje was ondertussen bevallen van Leo, maar die overleed na 8 maanden al. Ook het volgende kind, dat enkele maanden na Leo's dood kwam en ook Leo heette, leefde maar drie maanden.
Alles leek toen tegen te zitten, want Gradje werd ook erg ziek: een zware longontsteking met griep. Het ging niet goed. Iedereen moest stil zijn. De dokter kwam en zei, dat de pastoor of kapelaan moest komen en dat iedereen afscheid van Gradje moest nemen. Moeder had een beeld van de Heilige Gerardus. Ze begon tot hem te bidden. Daarna wikkelde ze het beeld in doeken en legde het aan de voeten van Gradje, die zei: "Waarom krijg ik weer een kruik?" Moeder had geantwoord: :
" Het is de heilige Gerardus. Wij hopen en bidden dat die je zal genezen." Maar Gradje zei daarop: "Waarom begint hij dan bij mijn voeten, als hij bij mijn zieke longen moet wezen?" Gelukkig herstelde Gradje en na een maand of wat was hij weer het oude ondeugende ventje. Gradje hield van grappen, plagen en kattenkwaad uithalen. Wekelijks moest hij wel een keer over vaders knie voor een pak billenkoek.
Op een dag was Gradje met vriendje Frans van den Berg naar de Konijnenberg. De anderen mochten niet mee. Wim en Piet wisten dat Gradje wat ging uitspoken. En ja hoor, ze zagen plotseling rook in de verte. Ze gingen snel naar vaders tent en riepen: “De hei staat in brand.” Met een schop gingen ze naar de hei en zagen daar Gradje met zijn vriend. Ze probeerden met takken de vlammen uit te slaan. Gradje vertelde: "Vader, we kwamen net te laat. Een dikke jongen en een lange hebben het gedaan. We konden ze jammer genoeg niet vangen." Door de rook kwam al snel de boswachter met helpers.
Na uren was de brand geblust.
De politie kwam later en zei: "De complimenten van onze burgemeester. Hier is een zilveren knaak voor Gradje en ook een voor zijn vriend." Ook Willem had een extra bedrag voor het redden van de staatsbossen gekregen. Willem dacht er het zijne van, want hij zag de jaloersheid van Piet, Jan, Cor en Wim , maar hij wist dat ze Gradje nooit zouden verraden.
Harrie mocht op kosten van kapelaan Liebrechts naar het seminarie te Cadier en Keer bij de paters van de Afrikaanse Missiën.
Toontje was geboren in de herfst van 1926. Hij was soms een huilebalk. Ook met hem gebeurde er wel eens wat. Zo stond hij op een mooie dag buiten in de box, toen er een kuikentje de box in liep. Hij greep het beestje en kneep het dood. Toen kwam de moederkloek en begon Toontje te pikken, zodat deze een keel op zette. Een andere keer, toen Toontje al rond kon lopen, was hij plotseling verdwenen. Iedereen moest zoeken, maar hij was nergens te vinden. Uiteindelijk bleek, dat hij in de varkensstal tussen de zes varkens lag te slapen.
Ondertussen was Sien op 16-jarige leeftijd al naar het klooster in Veghel gegaan om non te worden. Ze werd zuster Hermino. Een paar jaar later volgde Kee, zeventien jaar. Ze werd zuster Nicasia.
Lentje had ondertussen al drie keer een miskraam gehad en stond nu weer op het punt te bevallen. Nicht Lien van Uden, die alle kinderen mee op de wereld had gebracht, zag dat het niet goed ging. Ze stuurde Piet op de fiets naar dokter Sluiters in Ravenstein. Deze kwam onmiddellijk in actie en was met zijn auto al snel op de Koolwijk. Uiteindelijk kwam alles op zijn pootjes terecht en werd Anneke geboren. De dokter had Anneke nog wel een nooddoop gegeven.
Ook Albert ging het klooster in om broeder te worden. Gelukkig had Willem het professiefeest van zijn dochter Sien nog kunnen meemaken in 1932.

Foto (1932): voor de kerk in Veghel bij professiefeest Zr. Hermino. V.l.n.r: Grad, Piet, Wim, Harry, Kee (Zr. Nicasia), vader Willem, Toon, Sien (Zr. Hermino), moeder Helena, Albert (Br. Blasius), Jan, Mien, Anneke en Cor den Brok
Piet had eerst uitstel van militaire dienst gekregen om op de boerderij te helpen, maar moest in 1935 toch in dienst. Hij diende bij het regiment “de Jagers” in Waalsdorp bij Den Haag en had een bijbaantje als tafelbediende in de officierskantine. Na een half jaar ging hij met groot verlof, zodat hij toch weer kon helpen op de boerderij.
Willem had niet veel, maar hij was wel een van de eerste in Herpen, die een radio had. Die radio werkte op een hele grote batterij en accu. Hij luisterde regelmatig naar het gebral van ene Adolf Hitler. Vaak vertelde Willem aan de kinderen, dat er beslist oorlog zou komen.
De schuilkelder.
Piet den Brok wandelde door de bossen van de Koolwijk. Het was herfst 1945. Een vreselijke tijd was voorbij: De Tweede Wereldoorlog. Vader Willem was in 1937 gestorven. Na de dood van vader werd het boerenbedrijf eerst gerund door hem, Gerard, Jan en Cor met moeder aan het hoofd. Later nam Cor het alleen voor zijn rekening.
Hij, Piet, was het jaar daarop naar het klooster bij de Dominicanen in Nijmegen gegaan. Tijdelijk werd hij naar de St. Albertushof in Venlo gestuurd, een missiehuis van zusters, opgericht vlak voor de oorlog.

De Albertushof
Hij hielp daar als broeder Hyacint op het land van de boerderij, waar de zusters van de opbrengst leefden. Tijdens de oorlog gaven de zuster veel vluchtelingen en jonge mannen die in gevaar waren een schuilplaats. De gastvrijheid en de manier waarop met mensen gedeeld werd, gaf de zusters in de stad Venlo een goede naam. In 1940 werd de Albertushof een erkend noviciaatshuis.

Piet als broeder Hyacint aan het werk
Midden in de oorlog op 6 oktober 1943 bereikte hem een verschrikkelijk bericht. Het had niets met de oorlog te maken, maar baarde hem wel zorgen. Terwijl zijn moeder op de boerderij aan het koken was op het fornuis, waren er vonken uit de schoorsteen gekomen en had het rieten dak meteen vlam gevat. In een oogwenk stond alles in de brand. Moeder, Anneke en Cor hadden zo snel mogelijk de belangrijkste dingen uit het voorhuis gehaald. Uit het achterhuis kon nog een wagen, een zeug en drie varkens gered worden. Binnen een half uur was het hele huis een prooi van de vlammen geworden. Gelukkig was iedereen ongedeerd, maar voor moeder was het een harde slag geweest om de boerderij, die haar man met eigen handen had gebouwd zo te verliezen. De winter zouden ze in het kippenhok moeten doorbrengen. Voor de koeien had Harrie een tijdelijk schuurtje gemaakt.
Ondertussen was de oorlog steeds dreigender geworden. De Duitsers zochten steeds naar mannen. Daarom had Piet het laatste jaar van de oorlog moeten onderduiken. Hij verbleef bij een familie Driessen in Venlo in de schuilkelder. Het was geen erg grote kelder. Misschien was er normaal gesproken plaats voor twintig mensen, maar op een gegeven moment zaten er er wel zeventig mensen op elkaar gepakt.
Wat waren de omstandigheden erbarmelijk en de huisvesting slecht. Het was een strenge winter met regen, wind en sneeuw. Er was een gebrek aan kolen en hout. De kelder was donker en koud. Er hing rook en het stonk. Soms kropen er ratten rond. Mensen hadden maar weinig eigen ruimte. Het was geen wonder dat er op een gegeven moment difterie uitbrak. De een na de ander moest vanwege de besmetting naar het ziekenhuis gebracht worden. Een klein kind, Anneke Hendriks, overleed. Het was hartverscheurend. Op een gegeven moment kwam er een bericht van de Duitsers met de mededeling, dat iedereen moest vertrekken, maar Nelis zei, dat dat met al die besmettelijke ziektes onmogelijk kon. Gelukkig lieten de Duitsers het hierbij. Toch werden door de mannen uit voorzorg enkele vervoerskarren in elkaar geknutseld van allerlei materiaal. De vrouwen maakten rugzakken. Zuster Hovens kwam steeds de zieken verzorgen en hielp ook de kleine kinderen als ze wat ongemakjes hadden. Toen moeder Hofmans ziek werd, moest ze snel vervoerd worden naar het ziekenhuis, maar liggend op de handkar stierf zij.
Dan op 31 januari 1945 werd de zestienjarige Tillie, de dochter van Nelis Driessen, die samen met een zus en een vriendin op straat liep, getroffen door een granaatscherf, net onder haar borst. Ze overleed. Het verdriet van de familie, maar ook van de mensen in de kelder was groot. De priorin verzocht Piet (broeder Hyacint) om van een oude noten kast een doodskist te maken in een werkschuurtje bij de Albertushof. Tijdens die werkzaamheden kwamen plotseling de Duitsers op zoek naar jongemannen. Hij wist ternauwernood te ontsnappen door in een dennenboom achter het werkschuurtje te klimmen. Bijna een uur later was de kust pas veilig. Op een ander moment, toen hij weer bezig was, werd Piet bijna getroffen door een granaat van de Duitsers. Juist op tijd wist hij onder de werkbank te kruipen en brandde hij alleen maar zijn hand aan een scherf. De kist kwam af met roestige oude spijkers. De zusters zorgden voor de binnenbekleding. Tillie kon begraven worden. Het was een verschrikkelijke tijd geweest. Eindelijk na die lange koude winter werd op 2 maart Venlo bevrijd.
Piet ging even op een boomstronk zitten. Hij voelde zich wat moe nog. Hij had in Tilburg een nieroperatie ondergaan, waarbij een nier werd weggehaald. De naweeën er van kon hij nog goed merken. Hij was eerder moe. Ook moest hij denken aan de stap, die hij gezet had om uit het klooster te gaan. In een brief aan zijn broer Grad had hij geschreven:
"Venlo 27 juli 1945 .....Ik weet dat u gelukkig in het klooster bent en daar ben ik blij mee. Ik hoop dat u mij in uw gebeden niet zult vergeten. In het begin van volgende week ga ik naar huis. Vanwege de oorlogsomstandigheden kan pater Provinciaal mij nu zelf dispenseren. Hij zegt dat ik met een gerust geweten nu de orde mag verlaten. Na veel gebeden te hebben en nagedacht te hebben en de raad van mijn biechtvader ingewonnen te hebben ben ik tot de overtuiging gekomen dat ik den religieuze staat niet kan onderhouden en het voor de vrede en rust voor mijn geweten beter is zonder gelofte te leven....."
Toen moest hij weer denken aan de vrouw, die hij had ontmoet en waar hij mee zou willen trouwen. Toen hij een jaar of zestien was geweest, had hij haar, Lena Boeijen, al ontmoet in het pakhuis van Hijs Boeijen op het Durendseind. Zij runde op dat moment de zaak even in haar eentje. Toen zij een zak meel pakte, schoot hij snel te hulp om te helpen. Daar was de eerste vonk overgeslagen. Hij was bij Hijs thuis vaak een kaartje gaan leggen. Negentien jaar oud hij haar gevraagd, maar ze had nee gezegd. Pas nu, nu hij uit het klooster was, had hij haar weer gezien en hadden ze samen afgesproken.
Den Brok-Boeijen.
Het was begin 1965. Piet kon maar niet in slaap vallen. Allerlei gedachten maalden door zijn hoofd. Ze hadden een grote beslissing genomen. Ze zouden met het gezin naar Oss verhuizen. Ze zouden daar een nieuwe grote juwelierszaak beginnen. Het zou goed gaan. Daar geloofde hij in.
Hij was op 4 juni 1947 in Berghem getrouwd. Vanwege de woningnood zo direct na de Tweede Wereldoorlog hadden ze eerst ingewoond bij de familie Den Oever in Ravenstein.
Hij had zich ondertussen bezig gehouden met het repareren van klokken en horloges. Hij had een verzoek aan de Kamer van Koophandel gedaan om dit beroep officieel uit te mogen oefenen. Een brief van de burgemeester moest dit ondersteunen. Toen hij officieel was ingeschreven, bwas hij als horloge reparateur en klokkenmaker begonnen en wilde hij ook een winkel. Daar was een middenstandsdiploma voor nodig. Dat ging Lena op zich nemen.

Zicht op Ravenstein.

De winkel in de Walstraat.

Trouwfoto Piet en Lena.



Willem
Ondertussen hadden ze een huis in de Walstraat gekocht, waar ze een winkel wilden beginnen. Daar werd , Willem, zijn eerste zoon, op 8 februari 1949 geboren.
In het pand moest heel wat verbouwd worden. Lena had aan zijn broer Gerard in 1949 geschreven: “ ...De zaak gaat uitstekend. De fabriek achter ons huis zijn Harrie en Frans aan het opknappen, maar het duurt verschrikkelijk lang. Ze zijn al vanaf 2 mei bezig. We kunnen het echter goed verhuren, zodat het in de toekomst goed wat opbrengt. Met de verbouwing van het huis zullen we nu ook spoedig beginnen. Wat zullen we blij zijn als alles achter de rug is, want je hebt rust noch duur. Misschien weet u wel dat Piet aangevraagd had om vergunning voor het verkopen van goud en zilver. Nu moet hij op 21 juli een proefexamen afleggen. Daar heeft hij wel wat schrik van om reden dat hij daar niet al te veel kennis van heeft. Toch zou het voor ons van veel belang zijn als het lukte. Help ons s.v.p. een handje met bidden dat het moge slagen..."
Op 5 november 1949 was dan de opening van de winkel “Den Brok-Boeijen”.
Drie weken later had Lena weer geschreven: "...In het begin schoten ze met de verbouwing heel goed op, maar nu is het fout. Zo nu en dan zie je een paar werkers. Maar met veel aansporen, opbellen en lopen is de winkel op het nippertje klaar gekomen voor de opening. Dat was op 5 november. En druk dat het geweest is. En nu nog steeds. Het is dan ook een echte mooie winkel. Iedereen roept erover. Er kunnen in Amsterdam wel grotere zaken zijn, maar zo gezellig als de onze zie je niet. We hebben dan ook een grote voorraad en ruime keuze in alle uurwerken. Die grote kamer is nu uitsluitend als werkkamer ingericht. Daar poets ik eens in de week en voor de rest laat ik ze maar heen doen. Dat slaapkamertje is nu ontvangstkamertje geworden en de keuken ken je niet meer terug, zo mooi is die. Verder is er nog niets klaar, maar als ik geduld heb, zal het wel eens klaar komen..."
Toen wasHans geboren. In 1951 werd de juwelierszaak officieel erkend. Al met al was Piet niet tevreden geweest. Er was te weinig werkruimte.
De volgende stap was daarom een winkel op de hoek van de Walstraat en de Landpoortstraat. Het lag centraler en er was meer winkelruimte.

De winkel op de hoek Walstraat-Landpoortstraat.

Het huis en de winklel in de de Landpoortstraat.
Ondanks dat Piet tevreden was met de mooie winkel had hij toch een probleem. De woning en het werkatelier lagen een stuk verder weg. Dat was telkens een probleem bij kleine reparaties, maar ook bij drukte en zo. De zaken gingen echter goed.
Daarom hadden ze binnen enkele jaren snel nieuwe plannen. Hij had grond verderop in de Landpoortstraat gekocht en liet er een nieuw huis met winkel en werkatelier bouwen. In 1953 was het huis met winkel klaar.
Tien jaar hadden ze hier nu gewoond. Den Brok-Boeijen werd steeds bekender in de omgeving. De winkel liep uitstekend. Peter werd er geboren, daarna Marie-José en Bert.
Toen was die noodlottige dag in 1958 gekomen. Tussen de middag had Marie-José nog wat woorden gehad met Peter. Zij wilde een engeltje worden, maar Peter juist niet. Omdat ze op haar knietje was gevallen, ging ze wat later naar school samen met een jongetje wat ook verlaat was. Vlak bij de kerk werden ze aangereden door een dronken vrachtwagenchauffeur.
Uiteindelijk had Marie-José het niet overleefd en was uren later gestorven. Wat hadden ze een verdriet gehad. Lena had zelfs niet bij de begrafenis kunnen zijn. Ze liep op het eind van haar zwangerschap. De geboorte van Jos, tien dagen later kon het leed niet verzachten.
Het was een verschrikkelijke tijd geweest. Hij had gevochten om de werkelijke dader te laten veroordelen, omdat een ander had de schuld op zich genomen en had verklaard dat het de schuld van de kinderen was.

Marie-José
Al met al moest er wat veranderen. Het getouwtrek over de schuldvraag van de aanrijding en het vele verdriet deden Piet en Lena na verloop van tijd besluiten om weg te gaan uit Ravenstein. In het voorjaar van 1964 volgde een grote uitverkoop. Binnenkort zouden ze verhuizen.
Klooster in en klooster uit.
Vijfenzeventig was ik. Het was de herfst van mijn leven. Schrijvend moest ik terugdenken aan het onbezorgde begin van mijn leven. Mijn jeugd in dat mooie stadje Ravenstein, waar ik speelde met andere kinderen op het schoolplein, cowboytje speelde in het Laantje, schaatste op de grachten, misdienaar was in de kerk, avonturen beleefde bij de welpen en voetbalde bij de voetbalclub.
Maar ook ik, Willem, de zoon van Piet, was niet ontkomen aan de invloed van het “Rijke Roomse leven”. Opvoeding en familiecontacten waren er van doordrongen.
Het gezin, waaruit mijn vader kwam, was erg gelovig geweest. Ook Lentje, die haar man al op 55-jarige leeftijd verloor, had altijd aan haar geloof vast gehouden. Zij was een authentieke Brabantse vrouw, niet geleerd, maar “wijs” in de zin van iemand met een goed boerenverstand. Ze was een harde werkster geweest, had weinig nodig voor haar zelf. Ook had ze gevoel voor humor en had ze iemand snel door. Veel kinderen zag ze het klooster in gaan, maar er ook weer uit komen. Aan al die kinderen schreef ze regelmatig brieven. Een zo'n brief had ik nu in mijn hand en las:
Bladel 20-12-1952....Beste zoon, Het is nog wel wat vroeg, maar dan zal ik toch wel het eerste zijn. Ik wensch u al vast een fijn Kerstfeest en een gelukkig Nieuwjaar en ik hoop dat u Onze Lieve Heer zal bewaren in het nieuwe jaar voor ziel en lichaam.
Ik moet u nog vertellen, dat het vrouwtje in Herpen dood is. Nu ben ik van plan om de 7de januari te vertrekken naar Herpen. Ik ben na gisteren hier weer in Bladel gekomen. Ik ben ook 3 weken op de Koolwijk geweest. Daar is alles weer goed, want Mientje is een mooi zoet kindje, maar zien doet het nog niet. Het is bij Cor al een heel druk huishouden.
In Herpen is nog een heel groot ongeluk gebeurd. Jan van de Kamp brengt met de auto brood rond en heeft de vrouw van Bele uit Herpen omgereden en daags daarna was zij dood. Broeder Wilhelmus heeft geschreven dat hij al Maleis moet leren. Hij meent dat hij in mei benoemd zal worden voor de missie. Hij is er al voor goed gekeurd.
Nu nog veel groeten van de eerwaarde moeder, maar vooral van uw moeder.
Mijn grootmoeder Lentje was op 9 januari 1973 te Herpen in het bejaardenhuis overleden.
Van de broers en zussen van mijn vader was alleen Cor niet het klooster in geweest. Hij had vanaf het begin de ouderlijke boerderij overgenomen. Hij was landbouwer, trouwde en kreeg een groot gezin. Als boer was hij vooruitstrevend, want als eerste in de buurt had hij een tractor, een regeninstallatie en een melkmachine.
Alle andere broers en zussen waren voor korte of lange tijd in het klooster gegaan als gevolg van de geloofsopvoeding of voor een deel ook vanwege de armoede thuis.
Harrie trouwde op het eind van de oorlog. Hij was timmerman en werd later ook koster in de Sint Annakapel op de Koolwijk. Hij had voor de kapel een bewegende kerststal gemaakt, waar iedereen naar kwam kijken. Sinds 1969 was er die bewegende kerststal in de Sint Annakapel van de Koolwijk. . Het was vervaardigd uit overwegend afgedankt materiaal: oude rolschaatsen, fietsonderdelen, speelgoedauto's, en zelfs onderdelen uit een neergestort vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog. De beelden waren van houtsnijwerk en tussen de 30 en 60 centimeter hoog. Ze bewogen bijna allemaal op een of andere manier: het kindje Jezus lag te spartelen in zijn kribbe, de herders liepen rondjes, en een koning knielde. Het geheel werd omringd met allerlei figuren en dieren die rondjes maakten en geld inzamelden voor de kapel.
Albert was broeder Blasius bij de Societas Verbi Divini geworden, vierde er nog het zilveren professiefeest maar trad uit en trouwde. Hij werkte als portier in het Sint Jozefziekenhuis in Eindhoven.
Kee vierde als Zuster Nicasia op de Klokkenberg in Breda haar 25-jarig jubileum. Later ging ze naar Veghel. Ze was er kok.
Mien trad in het klooster bij de Congregatie "Dochters van Maria en Jozef", eerst in Beverwijk en later in Nuland bij de Zusters van de Choorstraat als zuster Nicasia 2.
Grad ging ook het klooster in en werd broeder Reginaldus. Later trad hij in het huwelijk. Hij was koster in Eindhoven.
Wim werd broeder Sebastianus bij de SVD in Teteringen. Hij was kok.
Jan ging het klooster in en was er kok. Als broeder missionaris Wilhelmus ging hij naar Indonesië (Flores en Soerabaja), maar trouwde daar Kelly Soemiati Soekari. Een tijd lang heeft hij als kapitein goederen van het ene klooster naar het andere verscheept. Hij kwam terug naar Nederland en werd klokkenmaker, eerst bij broer Piet en later als zelfstandige in Oss.
Toon ging naar het seminarie in Teteringen, maar zag dat uiteindelijk niet zitten. Hij trouwde ook. Hij was geschiedenis leraar in Venray.
Anneke ging het klooster in als Zuster Galena. Ze was handwerklerares en overste in Reek.
Het internaat.
Van het “Rijke Roomse leven” was de hele Brabantse samenleving doordrongen. Ik besefte, dat ook ik er deel van had uitgemaakt. Geheel in traditie van mijn familie ging ik naar het klein seminarie in Deurne.
Met vier tantes en vier ooms op dat moment in het klooster, was het bijna vanzelfsprekend, dat ik als oudste zoon van Piet ook die kant op zou gaan. Op de lagere school werd ik al vaak meegenomen naar het missiehuis in Deurne om de "sfeer" te proeven. Al die sportmogelijkheden trokken me over de streep. Het priester worden nam ik op de koop toe. In september 1961 was het zover: Ik ging intern.
In Deurne aan de Vlierdense weg bevond zich het internaat (klein seminarie) van het missiehuis Sint Willibrord, waar ik twee en een half jaar had doorgebracht. De missionarissen van Steyl, de Gemeenschap van het Goddelijk Woord, in het latijn Societas Verbi Divini (SVD) hadden in Deurne een klein seminarie, wat een interne gymnasiumopleiding was voor jongens die priester wilde worden, maar ook een juvenaat, waar (missie) broeders werden opgeleid. Er moest een flink geldbedrag worden betaald, waardoor er meestal alleen jongens uit welgestelde gezinnen verbleven.
Eerst stond het missiehuis in Uden (gesticht in 1911), maar het werd in de oorlog (1944) verwoest. Het gemeentebestuur van Deurne verkocht begin jaren vijftig een gebied van 18 ha voor 23.000 gulden aan de paters. Het missiehuis werd in 1954 in gebruik genomen. Er waren toen 25 broeders, 29 paters, 93 priesterstudenten en 25 aspirant-broeders. Op 7 mei 1955 was de officiële opening door minister Witte van Wederopbouw, nadat de inzegening van de kapel had plaatsgevonden door Mgr. Mutsaerts, bisschop van Den Bosch. Op 1 januari 1958 volgde ministeriële erkenning en in 1961 kwam er subsidie.

Missiehuis Sint Willibrord in Deurne.
Hoe was het daar? Ik kon me nog wel het een en ander herinneren.'s Morgens moest iedereen op de nuchtere maag naar de mis en 's avonds zat je weer in de kapel. Op zondag was er een hoogmis met gregoriaanse gezangen, die stonden in een dik boek, wat iedereen had. Deze kerkrituelen bepaalden toch wel een groot deel het vaste ritme. Door de week was de dag gevuld met les op het gymnasium, waar ook externen kwamen. Verder was er tijd om te studeren, te sporten en te recreëren. Van de lessen en de leraren herinnerde ik me niet zo veel meer. Het sporten daar vond ik fantastisch en dat vormde het grootste deel van mijn herinneringen. In de zomer werd er veel gezwommen. In de winter kon je er schaatsen. Er werden dan wedstrijden gehouden.
Verder kon je allerlei sporten doen. Ik voetbalde graag. Ook hardlopen deed ik. Ik wist nog hoe ik met een geweldige eindsprint de 800 meter won op een sportdag. Er was daar een groot terrein, waar je heerlijk kon wandelen. Van het terrein af mocht je nooit, behalve onder begeleiding, zoals met de wandelclub. De vrije tijd werd ook door gebracht in de recreatiezaal, waar je kon biljarten, tafeltennissen, tafelvoetballen, dammen en schaken. Overal werd er regelmatig een competitie over opgezet. Ook waren er allerlei clubjes, waar je een hobby kon uitoefenen.
Eten gebeurde in de refter. Het eten was best te pruimen. Af en toe had je corvee. Dan moest je afruimen of schoonmaken. Soms de slaapzaal vegen. Misschien was dat laatste een straf. Dat wist ik niet meer. Slapen gebeurde op een grote slaapzaal, waar allemaal kleine kamertjes aan elkaar zaten met in de opening een gordijntje. Het waren houten (triplex) hokjes van twee bij anderhalve meter. Er bevond zich een bed en een kastje. Aan de wand moest ergens een kruisje hangen. Je kon onder de bedden en kamertjes door kijken, waardoor je ook kon zien, of er een surveillance aan kwam. Maar het gaf ook mogelijkheden tot kattenkwaad. Wanneer pater van Dijk rondliep, keek je wel uit, want die kon erg streng zijn.
In een bewaard gebleven briefje aan mijn ouders uit het tweede jaar had ik geschreven:
"...Alles is hier prima. Met de hoofdpijn gaat het beter. Bedankt nog voor het pakje met fruit, hoor. Met de studie gaat het goed. Ik moet heel veel studeren. We hebben 5 keer Grieks en vijf keer Latijn in de week. Alleen voor Latijn en meetkunde sta ik onvoldoende. Gisteren heb ik strafwerk gekregen voor het hollen in de gang. Ik ben nu onder de sterrenkundeclub. Dat is heel interessant. Vanmorgen hebben we enveloppen moeten vouwen, een heel werk. Ieder zo'n 200. Daar moesten we ook nog blaadjes in steken.
Vanmiddag moeten we met de junioren gaan voetballen tegen Stevensbeek. Bewaren jullie postzegels van Europa, want die spaar ik nu ook. Ik weet niet veel meer, dus hou ik op. Volgende week meer. Daag."
Wassen en tandenpoetsen gebeurde in de waszaal aan het eind van de slaapzaal.
Regelmatig waren er allerlei activiteiten. Ik herinnerde me filmvoorstellingen, sportdagen, een schoolkermis op het terrein zelf en een schoolreisje naar België. Alleen met vakanties mocht je naar huis. Er was wel tussendoor een bezoekdag. Toen ik aan mijn derde jaar begon, had ik het wel gehad. Ik wilde geen priester worden. Ik schreef een brief dat ik van het internaat af wilde. Maar de brieven werden gelezen door de leiding voor ze weg gingen. Zo moest ik naar de "heimwee" pater Willemse (was ook godsdienstleraar). Ik moest dan bij hem op schoot zitten, waar bij hij me troostte en probeerde over te halen langer te blijven door te zeggen dat ik mijn ouders groot verdriet zou doen door weg te gaan. Na enkele keren kreeg ik er een ongemakkelijk gevoel bij en ging niet meer terug naar de pater. Later hoorde ik dat verschillende jongens nare ervaringen met hem hebben gehad.
Gelukkig had een neef van mij na een familiefeest aan zijn ouders verteld, dat ik weg wilde. Na de kerstvakantie (1963) hoefde ik niet meer terug.
Terug naar: