3. 's-HERTOGENBOSCH

Jan Broc

 

 

Hand in hand liepen Jan Broc en zijn vrouw Hilla door de straten van 's-Hertogenbosch. De officiële naam "des Hertogen bosch" kwam van het bos van hertog Hendrik I van Brabant. Hij had in 1196 Den Bosch stadsrechten en bijbehorende handel privileges verleend. Het Hertogdom Brabant was in vier kwartieren verdeeld: Leuven, Brussel, Antwerpen en 's-Hertogenbosch. In 's-Hertogenbosch was een meier de baas. De Meijerij van 's-Hertogenbosch was weer onderverdeeld in vier kwartieren: Peelland, Kemperland, Oisterwijk en Maasland.

Kaart 's-Hertogenbosch ca. 1588 (Braun en Hogenberg).

Ze waren ook even gaan kijken naar de bouw van de “Poort aan den Boom”. Deze waterpoort had een zware boom met lange ijzeren pinnen. Zo kon hij worden afgesloten.

Ze liepen verder de stad in. Overal was bedrijvigheid. Er klonk plots een harde gil. Jan en Hilla deden een stap opzij en zagen hoe uit een bovenraam de inhoud van een po op straat werd gegooid. Het stonk soms erg. De straten waren vaak vies. Het werd er ook niet beter op, nu de stad zo hard groeide. Er woonden wel 2000 mensen.

's-Hertogenbosch groeide en groeide. Vlak bij het huis van Jan en Hilla was de Vughterpoort. De Vugterstraat was ontstaan tijdens de eerste uitbreiding van de stad. Het was een van de belangrijkste straten geworden. Als de Hertog van Brabant zijn noordelijke vestingstad wilden bezoeken, kwam hij altijd door de Vugterpoort in de Vugterstraat. De tweede Vugterpoort werd gebouwd bij de tweede omwalling en werd de Kruispoort genoemd.

De Vugterpoort.

Jan moest onwillekeurig aan vroeger denken, aan het leven op de boerderij. Hij had niets voor het boeren gevoeld en was een ambacht gaan leren. De Brockenhoeve was na de dood van vader Jan Wouter in 1342 verkocht. Jans halfbroer Arnoldus was er pachter geworden en woonde daar met Berta en hun kinderen Ghiselbertus en Arnolda. Soms ging Jan er nog wel eens heen.

Jan zelf was eerst leerling geworden bij een kleermaker in Bavel. Hij had zich al snel in het vak bekwaamd en kreeg een getuigschrift (leerbrief) om gesel te worden. Toen hij als gesel goed genoeg was, had hij een proef- of meesterstuk moeten afleveren. Hij had vier kledingstukken moeten maken (“metterhant snijden”), waaronder een “vrouwenlijfken”. Het was goedgekeurd. Hij was meester snijder geworden en toegelaten tot het gilde in Bavel. Jaren later was hij verhuisd naar Cromvoirt en toen naar Den Bosch.

Hij kon er zich nog steeds over verbazen, hoe druk het in de stad kon zijn. Ze keken vol ontzag naar de steenhouwers . Er werd hard gebouwd aan de grote kerk “Sint Jan”. De kerk was al oud en had eerst buiten de omwalling gelegen, maar lag nu in de stad. De kerk werd steeds maar groter en mooier gemaakt. Er was een Mariakapel gekomen, een gotisch koor, koortorens en zijbeuken. Er was altijd bedrijvigheid van ambachtslieden bij de Sint Jan.

 

De Bossche kunstenaar Antoon Derkinderen tekende in 1884 de bouw van de

romaanse Sint-Jan die buiten de stadswallen werd opgetrokken. (stadsarchief).

Sint Jan in 1320.

Op de Markt gekomen keek hij naar de Lakenhal, waar de gewantsnijders hun lakens verkochten. Arnoldus, de zoon van zijn broer Walterus (Wouter), oefende hier zijn beroep van gewantsnijder uit.

De stad was bekend om zijn lakenweverijen. De wol, grondstof voor het laken, kwam van de Kempische en Engelse schapen en werd in de stad verwerkt, zoals in meer Brabantse steden. De stad trok veel handelaren en ambachtslieden aan. Zo waren ook de schoenmakers alom bekend. Van heinde en ver kwamen mensen daarvoor naar 's-Hertogenbosch.

Morgen was het donderdag en dan was er weer de wekelijkse markt. Hij zou zeker wat inkopen moeten doen. Even verder zagen ze de Minderbroederskerk, waar hun oudste zoon Johannes als minderbroeder bad en werkte. Hij was ook knecht bij Jacob Coptiten, de handschoenmaker en schepen van Den Bosch.

Ze wandelden verder door de Pijnappelpoort, die zijn naam dankte aan de nabij gelegen woning "Den Pijnappel". Ze zagen hoe er ook gewerkt werd aan de tweede omwalling, zodat de stad beter verdedigd kon worden.

"Ha meester Broc" klonk een zware stem. Jan en Hilla keken opzij en zagen de smid Gerardus Mesmaker staan naast het smidsvuur onder de houten uitbouw van zijn gevel.

"Ook goede middag, Gerardus" riep Jan. De smid deed hier half in de buitenlucht zijn werk. Er was ook een smeltoven in de smidse. Jan vond het wel erg brandgevaarlijk, maar ja, dat was het risico bij zo'n beroep.

Aan het eind van de Hinthammerstraat stond het huis met erf van hun zoon Peter, die getrouwd was met Engelberna Ghibo Voet. Ze hadden al een groot gezin. Hilla had een bundel met kleding, die Jan gemaakt had, onder haar arm voor de kinderen. Een kinderstemmetje riep “Opa, oma”. Ze zagen hoe de kleine Elisabeth naar hen toe rende. Moeder Engelberna stond in de deuropening glimlachend toe te kijken.

De pest.

 

 

Er werd gehuild. Peter Broc en zijn vrouw Engelberna stonden bij de twee kisten. Naast Peter stonden zijn broers Johannes en Henrick en zijn zus Heilwich. Er waren nog meer mensen, maar veel minder dan normaal bij een begrafenis. Na de pest epidemie rond 1350 , waarvan iedereen enorm was geschrokken, omdat er ontzettend veel slachtoffers waren geweest, was de pest niet helemaal verdwenen. De zwarte dood had nu plotseling toegeslagen bij zijn ouders. Bang geworden hadden ze hun bezittingen grotendeels verdeeld en voor het restant hadden ze nog een testament laten maken in 1367. Vader Jan had zijn huis in de Vugterstraat en al zijn andere goederen na hun dood aan de Tafel van de H. Geest nagelaten.

Hilla had bij de ondertekening gevraagd, wat ze moest doen, wanneer ze hem zou overleven. Waarop Jan had geantwoord: “Hilla, mijn vrouw, ik wil dat jij deze goederen hebt, zolang je leeft en na je dood komen ze aan de Tafel van de H. Geest.”

De tafel van de Heilige Geest was een middeleeuwse vorm van armenbestuur. Twee H. Geestmeesters, die ook lid waren van het stadsbestuur moesten het bezit van de Tafel beheren en de armen en hulpbehoevenden ondersteunen.

Een poos na dit officiële moment had het noodlot toegeslagen. Het was verschrikkelijk, die pest. Peter huiverde.

Als iemand besmet was, kreeg hij eerst pijn in de onderrug en de spieren. Je werd dan duizelig, kreeg last van een droge hoest, hoofdpijn. Ook kon je op een gegeven moment bijna niet meer eten en drinken, moest je braken en had je last van diarree. Je werd zo zwak, dat je alleen maar kon liggen, pijn had en bloedheet werd. Je droogde uit. Bij de builenpest kreeg je ontstekingen onder de armen en in de lies. Het was verschrikkelijk. Hij had zijn ouders ook zien lijden en kon het beeld maar niet van zijn netvlies krijgen. Ze hadden nog rozenwater en azijn gesprenkeld om het huis te zuiveren, maar dat had niets geholpen. De pestmeester, die afgezonderd in de vestingtoren verbleef, had geconstateerd, dat het de pest was. Zijn zieke ouders werden geïsoleerd. Na hun dood werd het huis afgesloten.

Veertiende-eeuwse tekening van de pest. Unknown author, Public domain, via Wikimedia Commons

Meestal werden de mensen, die gestorven waren door de pest, begraven door enkele eigen familieleden, vaak zonder priester of gebed. De invloed van zijn vader Jan was groter geweest.  Ze hadden een priester bereid gevonden in gebed voor te gaanPeter zag hoe de twee kisten in het familiegraf werden gebracht, een gebouwtje, dat iets weg had van een kapelletje en dat zijn vader had laten bouwen, toen hij in 's-Hertogenbosch was komen wonen. Peter hoorde gesnik. Iemand huilde.

Peter prees zich gelukkig dat hij met zijn gezin al voor de pestepidemie naar Haaren was vertrokken, waar hij een hoeve met land had. Hij dacht aan zijn vrouw, die hij vaak Engel noemde en die nu in verwachting was van nummer twaalf. Ze hadden al een naam in gedachten: Theodericus. Hij had een groot gezin. De andere elf waren allemaal fijne kinderen, de acht jongens: Johannes, Willem, Henrick, Merten, Godevaert, Peter, Aert en Gerard, en ook de drie meisjes: Elizabeth, Engelberta en Mechtildis.

Engelberna pakte hem bij de arm. Tranen stonden in haar ogen. De kaars in haar hand trilde. Nog even bleven ze allemaal staan. Peter slaakte een diepe zucht, waarna hij met Engelberna omdraaide en weg liep. De anderen volgden.