5. DE TACHTIGJARIGE OORLOG

Oorlog en moord.

 

 

De tachtigjarige oorlog (1568-1648) was een Nederlandse Onafhankelijkheidsoorlog, een militair conflict tussen de zeventien gewesten van de Nederlanden en het Spaanse bewind van koning Filips II. Belastingverhogingen en geloofsvervolging waren de hoofdoorzaken. In de Nederlanden groeide het Calvinisme, wat een doorn in het oog was van de katholieke Filips II. Daarnaast legde de Spaanse koning zware belastingen op om zijn kas te spekken.

Hadden Haaren en Oisterwijk aanvankelijk nog weinig gemerkt van het begin van de Tachtigjarige oorlog tegen de Spanjaarden, dat veranderde al snel.

Oisterwijk was een rijk wolweversdorp, dat daardoor de aandacht van de Spaanse, maar ook van de Staatse troepen trok. Het dorp was langgerekt en moeilijk te verdedigen. Voortdurend waren er plunderingen.

Om plundering door de onderbetaalde Spaanse troepen te voorkomen moest er geld gegeven worden. Oorlog contributie, maar ook boetes kregen de dorpen om plundering en de dreiging van in brand steken af te kopen. Ook de Staatse troepen maakten zich er schuldig aan.

 

 

Adriaen Jan Brock, de zoon van Jan Wouter, was ondertussen getrouwd en had al vijf kinderen: Gerrit, Cornelis, Willem, Geertruyt en Hendrickxken. Het leven was er niet prettiger op geworden. De oorlog hing steeds als een dreiging boven de dorpen. De angst voor het Spaanse leger was net zo groot als voor de Staatse troepen.

Wat er die dag, 16 april 1572, gebeurde, was verschrikkelijk geweest. Zijn vader Jan, die al lang geen kerkmeester meer was, was totaal overstuur van wat er had plaatsgevonden op de pastorie. Die voorafgaande nacht waren een vijftal geuzen de Haarense pastorie binnengedrongen, hadden pastoor Petrus Janssen van Calmhout gegrepen.

De voorkant van het schilderij van Pastoor Petrus Jansen Calmhout (BHIC)

De achterkant van het schilderij

Zijn nicht Elisabeth en enkele andere huisgenoten werden vastgebonden en moesten toekijken. De pastoor had nog geroepen: "Gesellen, wat wilt ge van mij? Ik zal u alles geven, wat ik heb. En als dat niet genoeg is, zal ik u nog meer bezorgen, tot ge genoeg hebt. Maar laat mij toch in leven!"

Waarop de geuzen hadden gezegd: "Dat had je gedacht! Gij moet er aan geloven. Wij zijn niet zomaar op uw eigendommen uit, wij dorsten naar papenbloed, en daarom zullen we tot het uiterste doorgaan." Eerst moest hij knielen op zijn knielbankje. Vervolgens hadden ze de pastoor eerst zijn oren en neus afgesneden, zijn ogen uitgestoken en tenslotte hadden ze hem met een bijl zijn hoofd afgehakt. Overal had bloed gelegen. Op de kalkmuur stond geschreven: “Dit hebben de geuzen van den Briel gedaan”. 

Het gebeuren had heel Haaren, Oisterwijk en omgeving geschokt. De angst onder priesters en kloosterlingen nam toe. Velen vluchtten.

De ellende was nog niet voorbij. De hertog van Holsteijn had met duizenden Spaanse ruiters en 200 wagens in de de herfst van dat jaar de hele Vrijheid van Oisterwijk leeggeroofd. Ze hadden wol, linnen, de oogst van gerst, rogge en boekweit, meubels en andere goederen meegenomen. Ook de hoeve van Adriaen was slachtoffer geworden van de plunderingen van de Spaanse ruiters, maar in hun haast hadden ze gelukkig niet al te veel meegenomen. Er kwam uiteindelijk verzet van de burgers en de boeren, waardoor op een gegeven moment de ruiterij vertrok.

In februari daarop waren er geuzen naar Oisterwijk en omgeving gekomen. Er waren vijftien inwoners van Oisterwijk gedood. Onder dreiging van moord en brandstichting stonden veel burgers al hun kostbaarheden af. Tevreden staken de geuzen toen huizen in brand. Wel 130 huizen werden in de as gelegd. De geuzen gingen vervolgens naar het Catharina klooster, trokken de kleren van de nonnen uit en joegen ze half naakt de sneeuw in. Na de plundering staken ze ook het klooster in brand.

Het was een verschrikkelijke tijd. Af en toe was het even wat rustiger, maar dreiging was er steeds. En ook steeds volgde weer een nieuwe plundering.

Op 11 juni 1587 moesten de boeren opnieuw de bossen invluchten, voor de Staatse troepen. Udenhout werd binnengevallen, de grote lindeboom werd omgehakt en als stormram voor de kerk gebruikt. Kerk en toren werden in brand gestoken. Ook werden in Oisterwijk opnieuw 150 huizen door brand verwoest. De brand was tot in de wijde omgeving te zien, zelfs vanuit Den Bosch.

Eind van die maand kwam het bericht, dat alle dorpen in Brabant, die onder Spaans bewind vielen automatisch oorlogsbuit waren. De tactiek van de verschroeide aarde zou voortaan toegepast worden.

Naast de plunderingen en brandstichtingen hadden de dorpen ook regelmatig te maken met misoogsten, epidemisch ziekten zoals tyfus, cholera, pokken of rode loop. Dat laatste was een gevolg van besmet drinkwater. Maar het ergste was toch wel de Zwarte dood. In 1587 was er weer een uitbarsting geweest. Ook in 1603 en 1604.

Een koppige priester.

 

 

De omgeving, maar ook de familie had veel te verduren gehad. Het was nu even wat rustiger geworden. Er was een bestand afgesproken tussen de Spanjaarden en de Nederlanden. Gerrit Adriaen Brock had vaak met zijn broers Cornelis en Willem en met zijn zussen Geertruijt en Hendrickxken over “weg gaan” uit dit gebied gepraat, weg van al die ellende. De Staatsen waren verschrikkelijk, maar ook de Spanjaarden konden er wat van. Voor beide troepen moest je uitkijken als ze op oorlogspad waren.

Geertruijt was bevriend met Cathalijn Brock, een ver familielid. Van haar hadden ze de verhalen over de broer van Cathalijn, Wouter Brock, die priester was geweest in de Dom van Utrecht, gehoord. Van de Broeders des Gemenen Levens te 's-Hertogenbosch had hij een beurs gekregen om te studeren. Na zijn priesterwijding was hij een tijdlang dienaar geweest van Jan Beyer, kanunnik en notaris van de bisschop van Utrecht.

In 1565 was hij vicaris van het Sint-Barbara altaar in de Utrechtse Domkerk geworden. . De baan had hij te danken aan Otto van Malsen, die vond dat de zoon en broer van de heren van Tilburg en Goirle hiervoor de juiste persoon was.

Wouter had een grote belangstelling voor de oudheden van Utrecht. Ook wist hij alles over de inrichting en rechtsgewoonten van het Utrechtse Domkapittel.

In 1583 stelde het kapittel: "om die goede scientie ende vervarentheit van heer Wouter Brock, vicaris onser kerke, die hij heeft van alle onser kercken statuten, costumen, gerechticheyden ende privilegiën.." hem aan als vraagbaak voor de kanunniken tegen een jaarrente van 100 carolusgulden.

Hij schreef de oude Talmud van Gerlach van der Donck over en voorzag het van aantekeningen en een nieuwe indeling.

Alles wat hij onder zijn handen kreeg voorzag hij van commentaar en aantekeningen. Zo vermelde hij in de kantlijn van een kopie van een overeenkomst tussen de stad Utrecht en de geestelijkheid in 1579, dat de eerste steen van het stadhuis van Antwerpen op 27 februari 1561 was gelegd, maar dat het gebouw samen met andere huizen op 4 november 1576 door de Spanjaarden was verbrand.

Ook had hij een grote belangstelling voor heraldiek en het familiewapen.

Wouter was executeur-testamentair van Jan Beyer, zijn vorige baas. Hij stelde een prachtig betoog op onder de titel: "Oirsaken wair omme dexecutie des testaments van zaliger heeren Johan Beijer, canonick in zyn leven then dom Tutrecht, zoe langhe vertogen is.", waarin hij verhaalde hoe de calvinisten de kerken opeisten, hoe Jan Beyer zijn kostbaarheden begroef, hoe de calvinisten de kerken plunderden in 1566, hoe Jan Beyer overleed "sonder enige clocluijdinge (wantmen die om alle oproir der beeldstormers ende ketters te schouwen nijet en moste luijden)" en hoe eind van het jaar, toen het rustiger werd door ingrijpen van de prins van Oranje en zijn broer graaf Lodewijk Jan Beijer als nog een plechtige uitvaart kon krijgen.

Wouter had ook een klein wapenboekje gemaakt, waarin hij de wapens van Frankrijk, Oostenrijk, Vlaanderen, Henegouwen, Gelder, Culemborg, Vianen, Lichtenberg en Abcoude, van de markgraven en hertogen van Saksen, Zwaben, Luxemburg, Bohemen en Engeland beschreef. Ook behandelde hij verschillende soorten wapens, die hij ook tekende, zoals van de families de Rovere, Stakenborch, Van Buerden en Van Boert.

In een los blad is een kladtekening te zien van een grafzerk met de wapens van de acht kwartieren, gemaakt door Wouter zelf. De dode was "Wouter Brock, begraven tUtrecht inden domme achter inde midden vanden kercke." Zijn wapen was "boven root, onder wit; int root een witten lew met golde croon ende gecloefden stert."

 

Kladtekening van de grafzerk van Wouter Brock.

Op de grafzerk van Wouter Brock in de Utrechtse domkerk stond geschreven: "Reverendo et egregio viro, domino Waltero Brock Tilburgensi, huius metropolitanae Traiectensis ecclesiae vicario, heredes hoc monumentum posuerunt. Obiit anno MDCXII, XXIII pacet a junii, requit anno MDCXII, XXIII pacet a junii, requit anno MDCXII In sacello Mulardi: * 1612 DOM"

Vertaling: "Voor Wouter Brock van Tilburg, vicaris van de Dom, hebben de grafsteen geplaatst. Hij stierf op 23 juni 1612, hij ruste in gelukzalige vrede, amen."

 

Omdat hij in 1580 woedend was over het verbod op de katholieke eredienst, besloot hij nooit meer een voet op straat te zetten. Zijn haat tegen het Calvinisme was enorm groot, evenals zijn koppigheid, had Cathalijn verteld. Pas na 32 jaar in 1612 verliet Wouter Brock voor het eerst zijn huis, maar wel in een grafkist. Er waren maar weinig Nederlanders die met zo'n hardnekkigheid als Wouter Brock de politieke en religieuze veranderingen trotseerden.

Naar het Maasland.

 

 

Er waren weer wat jaren verstreken, maar het plan om te vertrekken had in Gerrit steeds meer gestalte gekregen. Ook zijn broer Cornelis was enthousiast geworden. Nu het bestand tussen de Spanjaarden en de Republiek nog voortduurde, moesten ze profiteren en van de gelegenheid gebruik te maken. Gerrit en Cornelis verkochten al hun onroerende goederen, en vertrokken met hun gezinnen naar het Maasland, waar het beter moest zijn.

Natuurlijk hadden ze gehoord, dat het Maasland een gebied was geweest waar de Staatse en Spaanse troepen elkaar regelmatig bevochten, maar na de uitbraak van dysenterie in 1599 was het gebied door veel overgebleven mensen verlaten. Er was meer ruimte gekomen. Misschien zou het ook rustiger zijn.

Gerrit en Cornelis hadden de nodige geldmiddelen. Ze zouden hier hun geluk vinden, dat wisten ze zeker.

Cornelis koos voor Geffen als nieuwe woonplaats, terwijl Gerrit in Oss terecht kwam. Gerrit pachtte de boerderij “de Heijligengeest Hoeve van den Bossche". Vaak werd Gerrit ook Gerrit Arienss van Haeren genoemd. Hij kocht in de omgeving Oss, Lith en Lithoijen verschillende stukken grond, maar ook huizen. Soms verkocht hij ook weer wat. Hij woonde er met zijn vijf kinderen: Adriaen, Peter, Neel (Cornelis), Jan en Meriken.

 

De oorlog had zich weer hervat. Het was zomer 1633. Gerrit stond op de Heuvel te praten met schepen Daniel Jan Rijken, de vader van de vriendin van zijn zoon Cornelis. Natuurlijk ging het over politiek. Het waren weer roerige tijden. In 1629 was het beleg van 's-Hertogenbosch begonnen. Prins Frederik Hendrik van Oranje had met een leger van 30.000 soldaten de stad omsingeld. De stad was niet goed voorbereid geweest. Ze hadden gehoopt dat ze door een Spaans leger ontzet zouden worden, maar dat was niet gebeurd. Na maanden moest 's-Hertogenbosch capituleren. De Meijerij was Generaliteitsland van de Staatsen geworden.

Ze keken even naar de Graafse Poort, waar soldaten controleerden, wie er binnenkwam.

“Zouden ze op zoek zijn naar iets?” vroeg Gerrit.

“Ik zou het niet weten, maar vertrouwen doen ze hier niemand.” antwoordde Daniël.

Gerrit vertelde Daniel het verhaal dat hij gehoord had over een incident met Jan Brock, een ver familielid, die militair was geworden en de kant van de Spanjaarden had gekozen. Jan was luitenant in het leger en diende onder Zijne Excellentie graaf Henrik van den Bergh, een volle neef van Frederik Hendrik, maar ook een beruchte veldheer van de Spanjaarden.. Vaak vonden er problemen plaats met de bevolking, omdat die of sympathiseerden met de Staatsen of omdat de Spanjaarden te veel eisten.

Bij Oirschot had zo'n incident plaats gevonden, waarover de schepenen van Oirschot in een open brief hadden geschreven. Gerit Danield de Roij, Jan Gerits van Cleijnenbreugel, Niclaes Willems, Aert Willems en Elias Janssen, allemaal inwoners van Oirschot en " te goeder naam en faam bekend staande", legden de eed af bij de schout van Kempenland en Oirschot. Zij verklaarden, dat de vorige dag op 9 juli 1630 Elias Janssen, knecht van Jan Jan Aerts de jonge, met het paard en kar van Jan Aerts naar de stad Eindhoven was gegaan, omdat het weekmarkt was.

De Graafsche Poort. (Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche courant , 9 mei 1932.)

Hij had de wagen met peelturf geladen om daarmee gebrouwd bier te bereiden. De kar was nog niet vol en daarom had Elias nog andere spullen opgeladen voor Gerrit, voor Niclaes en Aert, verder nog twee staven met ijzer en nog acht stukken staal voor de smeden Jan Daniels de Roij en Henrick Jan Aert Scheijntgens. Tenslotte voor Aert nog 13 zichten en twee zeisen en voor Jan Gerits van Cleijnenbreugel nog een zester zout en een vat olie van 8 kannen. Ze vertelden, dat toen ze nog "slechts 10 of 12 roedes" van huis waren, werden aangevallen door Jan Brock en zijn groep van ongeveer 20 soldaten, die in het garnizoen van Venlo gelegerd waren. Ze waren hen gevolgd, hadden de turf van de kar gegooid, het ijzer, staal en het zout en de olie buit gemaakt. Jan Brock beweerde dat het niet was toegestaan om deze spullen in bezit te hebben. Ook het paard werd afgepakt. Ondanks dat ze allemaal aanboden om met hen naar Venlo te gaan om borgstelling te regelen, namen de soldaten het paard en de spullen mee. In Lieshout hadden ze dan tenslotte het paard weer van de soldaten kunnen afnemen, omdat er maar twee soldaten bij waren. Terwijl Gerit Daniels de Roij nog bezig was met het temmen en in beslag nemen van het paard, kreeg hij woorden met Jan Brock. Hij zei, dat hij meer dan genoeg van hem had. Een andere soldaat riep: "Hoort u nu dat hij genoeg krijgt van Zijne Excellentie". Er volgden nog veel opmerkingen, maar iedereen beweerde dat Gerit Zijne Excellentie niet had willen beledigen, maar dat het alleen betrekking had op de persoon Jan Brock. Tenslotte verklaarden ze nog dat ze als inwoners van het platteland altijd hun bijdragen en belastingen betaalden en daarom niet op deze wijze lastig gevallen wilden worden, want alle spullen waren bedoeld voor het uitoefenen van hun beroep. Ze waren er goed van afgekomen, want Jan Brock had er geen werk meer van gemaakt.

Zulke verhalen hoorden Gerrit en Daniel keer op keer.

Daniel wees naar de Graafse Poort, waar enkele soldaten stonden. De Staatsen waren nu de baas. 

“Gelukkig is die dominee Theodorus Texelius weer vertrokken” zei Daniel. “Erg overdreven om met zoveel bombarie de Sint Willibrorduskerk te sluiten. Kan hij wel met een stel soldaten erbij?”

“Ja laat die protestanten maar wegblijven” antwoordde Gerrit.

Daniel keek nogmaals naar de Graafse Poort en wilde er wat over zeggen, toen er werd geroepen. Daniel en Gerrit draaiden zich om en zagen Cornelis en Lijn, de dochter van Daniel.

“Heb jullie het al gehoord?” hijgde Cornelis. Zijn vader keek hem verbaasd aan.

“Pastoor Matthias Septius heeft het slot van de kerk opengebroken en laten vervangen door een nieuw slot. De kerk is weer open.”

“Dat is een goed bericht, jongen, maar als die Staatsen dat maar toestaan.” verzuchtte Gerrit.