8. HET HARDE BRABANTSE BOERENLEVEN

De tegenslag van Jan Daniël den Brock.

 

 

Die regenachtige lentedag op 18 april 1782 zaten ze bij elkaar in het ouderlijke huis, het huis van Daniël Jan Nelen Brock en Ida Jacob Jansen van Beek. Het waren Jan Daniel den Brock, zijn broer Willem, zijn zus Jacomijntje, zijn andere zus Jenneke met haar man Cornelis Binnemans , Jan Aart Strik en Jan Claas Loeffen als voogden van de onmondige kinderen van zijn overleden zus Maria. Verder waren er als schepenen Geert van Vugt en Jan van Poppelen. Het huis werd verkocht. Het huis op de Heihoek, dat zijn vader Daniel zelf had gebouwd. In de akte stond het omschreven als: “... een huysinge en een kleijn huysje hoff en aangelagh samen groot omtrent een mergen gestaen ende gelegen alhier te Berchem ter plaatse genaemt den Heyhoek...”

Jan Daniel den Brock moest terugdenken aan zijn ouders. Jacoba, hun eerste kind was overleden toen ze twee was. Ook het tweede kind Maria was als baby overleden. Verder was zijn zus Joanna op 24-jarige leeftijd gestorven. Ook een Joannes en een Jacoba waren als baby overleden. Zijn zus Mie (Maria) was wel getrouwd, maar was er ook niet meer. Met zijn vieren waren ze nog overgebleven. Zijn ouders hadden het aanvankelijk goed gehad.

Uit de erfenis van de ouders van zijn vrouw verkreeg Daniël flink wat grond, waarvan hij regelmatig een deel verkocht. Ook van zijn eigen grond verkocht hij steeds wat. Het geld glipte op een of andere manier steeds door zijn vingers. Steeds minder bleef er over.

Jans vader was vijf jaar geleden al overleden en zijn moeder afgelopen jaar. Nu zaten ze bij elkaar voor de afwikkeling van de erfenis.

Jan van Poppelen haalde Jan Daniël uit zijn overpeinzingen: “Is iedereen het er dan over eens dat Willem de grond koopt voor 318 gulden. Dat betreft dus 'een perceel teulland, groot omtrent een halven mergen, alhier te Berchem, ter plaatse genaamd de Groote Halve Mergens, een zijde Jan Jochem Boeijen, andere zijde Anthonij van Zeeland, een eynt de straat, ander eynt de weduwe Leendert Meegens. Met aftrek van zijn deel van de erfenis van het huis, dat voor 846 gulden verkocht is aan Bartel van Grunsven, kost hem dat nog 254 gulden.” Er klonk instemmend gemompel.

Jan kon de erfenis goed gebruiken, ook al was het geen vetpot. Zijn leven was een aaneenschakeling van tegenslag. Op 21-jarige leeftijd was hij getrouwd met Theodora Wilbert Willems. Zes kinderen had hij gekregen. Vijf waren er als baby overleden, alleen Martinus had hij nog. Al zijn investeringen mislukten. Hij was maar een arm boertje, een klein keuterboertje.

“Hier, drink op!” lachte Willem, terwijl hij een pot bier voor hem neerzette.

 

Jan Daniël zat met zijn neef Piet een potje bier te drinken in de herberg in de Laanderstraat. Het was er druk. Iedereen leek wel in gesprek, maar Jan Daniël was stil. Hij was nu zestig jaar, maar nog altijd zat het hem niet mee. Hij had genoeg tegenslag gehad vond hij. In 1791 was zijn vrouw Theodora overleden. Toen hij kort daarop voor steun op bedevaart was gegaan naar Onze Lieve Vrouw van Handel, had hij daar een vrouw ontmoet, waar hij al snel mee trouwde: Alberdina Francis Hornkens uit Gemert. Even leek het beter te gaan. Theodorus was geboren. Maar helaas de tijd had ook niet meegezeten.

In 1794 waren 72.000 Franse soldaten Brabant binnen gevallen, waardoor de voedsel aanvoer was gestopt en zowel het leger als de bevolking honger leed. In september 1794 had het Franse leger zoveel levensmiddelen in Oss gevorderd, dat de schepenen verboden om buiten de stad voedsel te verkopen en de resterende voedselvoorraad zelf in beslag namen. Toen de Engelsen bij Grave de Maas waren overgestoken, besloot de Franse generaal Pichegru de strategisch belangrijke vesting 's-Hertogenbosch te belegeren. Op 12 oktober 1794 werd de stad ingenomen. De soldaten waren er slecht aan toe. Door hun honger hadden ze het hele gebied al leeggeplunderd. De oogst was slecht geweest en de winter was streng. Door het vrijwel totale gebrek aan voedsel deserteerden veel soldaten ondanks de strengste straffen. Vandaar dat de Franse regering Pichegru beval de rivieren over te steken en de rest van Nederland te veroveren. 

De Fransen steken de rivieren over.

Op 27 december staken tienduizenden Fransen de bevroren rivieren over en bezetten zij de rest van Nederland in januari 1795.

Ook Jan Daniël had in die tijd oogst moeten afstaan, die hij onmogelijk kon missen. Ook waren er koeien gestorven aan een koeienziekte.

Het verdriet had hem bij de keel gegrepen, toen ook zijn enige zoon uit zijn eerste huwelijk, Martinus, op 28-jarige leeftijd was overleden. Martinus had hem altijd geholpen op de boerderij. Het was niet goed gegaan. Daarom had hij geld moeten lenen. Tot twee maal toe zelfs, wel meer dan 500 gulden. Zijn neef Piet had borg voor hem gestaan, maar een keer hield het toch op. Hij wist nog steeds niet hoe hij zijn schulden ooit zou kunnen terugbetalen.

"Kom we moeten maar eens huiswaarts gaan" zuchtte Piet. "Ik zal wel afreken, Jan", zei hij, terwijl hij opstond. Moeizaam kwam ook Jan overeind.

 

Jan was ziek, erg ziek. Hij had het aan zijn longen. Af en toe kreeg hij een enorme hoestbui, waarbij hij ook bloed opgaf. De dokter was er al geweest. Ook pastoor Dams had hem al de biecht afgenomen en de laatste sacramenten toegediend. Hij voelde het, lang te leven had hij niet meer.

Hij was blij, dat hij , zijn vrouw en kinderen in het huis van zijn ongetrouwde zus Jacomijna waren opgevangen. Voor hem zou de dood verlossing betekenen.

Zijn leven was een puinhoop geworden.

Soms was hij jaloers op zijn broer Willem, die vier jaar na de verkoop het ouderlijk huis had teruggekocht. Hij bezat zelfs twee huizen.

Met zijn vrouw Alberdina had hij na Theodorus nog vier kinderen gekregen. Eerst Franciscus en drie jaar later Maria. Maria was nog maar vijf jaar geweest, toen ze overleed. Alberdina was op dat moment in verwachting van Martinus, die drie maanden later werd geboren.

Even opende Jan zijn ogen en zag Alberdina met Cornelis, zijn jongste zoon, op de armen in de deuropening staan. Ze glimlachte. Jan sloot zijn ogen en liet zich weer meevoeren met zijn gedachten. Regelmatig was hij door familie geholpen, maar toch had hij zijn schulden niet kunnen terugbetalen. Toen kwam dat trieste jaar 1807. Al zijn goederen werden executabel verklaard. Hij had moeten toezien hoe zijn huisje met opbod werd verkocht. Alles was hij kwijt. Zijn lieve zus Jacomijna had hen in haar kleine huisje opgevangen. Het jaar daarop werd Cornelis geboren en was Jan ziek geworden. Jan zuchtte. Hij wachtte op zijn einde en hoopte dat de dood snel zou komen.

Berghem in de Franse tijd.

 

 

Het Berghem aan het begin van de Franse Tijd was een arm dorp van iets meer dan 1000 inwoners.

Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk , verdween de schepenraad en kreeg ook Berghem zijn burgemeester, Willem Coolen, bijgestaan door een tien leden tellend "Conseil Municipal".

In 1800 werd de oorspronkelijk kerk van Berghem weer overgedragen aan de Katholieken. Tot die tijd had men gebruik gemaakt van de Schuurkerk aan de Harense Steeg. Inmiddels had de echte kerk een spits gekregen, deze was er in 1721 opgezet. Pastoor Bernuli liet de Schuilkerk in 1802 afbreken. Waar de inventaris terecht was gekomen bleef duister. Een jaar later werd ook de er aan verbonden pastorie gesloopt. De gereformeerden stichtten in 1817 een nieuwe kerk in Oss.

Berghem had ook zijn eerste dorpsdokter gekregen: Hubertus van Roermond.

Johannes Jacobus Vermaat werd in 1791 de nieuwe onderwijzer in Berghem en behield deze functie in de Franse tijd en daarna nog tot 1829. De schoolmeester werd betaald van het schoolgeld, dat per kind 10 cent per maand was. In de jaren 1808 en 1809 kreeg hij ook 36 gulden per jaar voor het opwinden van de kerkklok van de gemeente en het verzorgen van het kerkhof. Voor het verwarmen van het klaslokaal ontving hij van het bestuur 20 gulden per jaar.

Het aantal kinderen, dat naar school ging in die tijd zal wellicht geschommeld hebben tussen in de zomer zo'n 25 kinderen en in de winter zo'n 100 kinderen.

De staat regelde voortaan het onderwijs. Tot die tijd hadden de gereformeerden het voor het zeggen gehad. Op de school mocht geen godsdienst meer onderwezen worden. Het onderwijs was neutraal

De Franse tijd had alles veranderd en wel in een zeer korte periode. Of het nu ging om de tot dan toe onderdrukte positie van de Brabanders of om de eerste pokken inenting, het verbod op katholieke processies of het optrekken der schuttersgilden, de verplichting tot het kopen van zout in een staatswinkel en het vieren van de huwelijksdag; in alles werd de overheid ineens de regelende factor.

De Franse Tijd had Nederland tot een modern land gemaakt: de Nationale Vergadering, een nieuwe grondwet, een metriek stelsel ( de el werd ingeruild voor de meter en het mud, het malder en het vat voor de kilo en de liter), de burgerlijke stand, rechts rijden, enz.

De Burgerlijke stand was erg belangrijk, want vanaf 1811 werden alle geboorten, huwelijken, echtscheidingen en overlijdens vastgelegd. Iedereen moest een vaste familienaam gaan gebruiken.

Vanaf 1805 moesten straten namen hebben en huizen nummers.

De grondwet kende enkele belangrijke bepalingen: De provinciale autonomie verdween. Elke inwoner was voortaan voor de wet gelijk ( al was dat niet echt zo). Er kwam vrijheid van meningsuiting, pers, vergadering en godsdienst. Er kwam een scheiding tussen kerk en staat. Vreemdelingen waren welkom.

Maar tenslotte: Wat stelde Berghem op het eind van de Franse tijd (1815) voor? Uit gegevens die het Koninkrijk opvroeg bleek: De gemeente was lang een 1/2 uur gaans, breed 1 uur. Er waren op dat moment 1560 inwoners, die in 284 woonhuizen woonden. Er was 1 Roomsche kerk . Er waren 50 grote boeren, 100 kleine boeren en 134 keuterboeren. De ambtsnijverheid bestond uit: 1 hoornwindmoolen, 2 paarde-olijmoolens, 1 gruterij, 1 bierbrouwerij, 1 molemaaker, 7 timmerlieden, 2 wieldraijers, 4 smeeden, 3 metselaars, 1 verver, 7 schoenmakers, 2 kuijpers, 2 klompmakers. De landbouw was het belangrijkste bestaansmiddel. Er was "604 morgen bouland, 204 morgen weij en hooijland, en 150 morgen heijden”. Er werd vooral rogge en boekweit verbouwd. Het dorp telde twee gevangenissen: 1 "correction"en 1 "crimineel", respectievelijk voor lichtere en zwaardere vergrijpen.

De wegen waren zandwegen. De bevolking was toegenomen, de armoede gebleven, maar er was wel een nieuwe tijd aangebroken. Helaas was voor de gewone man het leven nog steeds hard, zoals verschillende Brokken in Berghem hadden ervaren.

 

 

Cornelis den Brock.

 

 

Cornelis was bezig de greppel naast de boerderij van Hendrik van Boekel schoon te maken. Als landarbeider had hij wisselend werk. Dan weer hier, dan weer daar. Soms in Oss, soms in Haren, soms in Herpen. Hij was niet groot, zo'n 1 meter 75. Met zijn lang gezicht, rond voorhoofd en bruine haren was hij een gewone man, die niet opviel. Maar werken kon hij wel. Hij had niet in militaire dienst gehoeven, omdat hij was uitgeloot. Toen hij drieëntwintig was geworden, was hij getrouwd met Petronella Verwaijen. Hij had het allemaal beter willen doen dan zijn vader Jan Daniël, maar het had ook hem niet meegezeten. Veel verdriet hadden Petronella en hij gekend. Dochter Ardina was kort na de geboorte overleden. Ook Antonetta was maar vier jaar geworden. Toen kwam Johannes. De volgende was Ardina, maar ook zij leefde niet meer dan een jaar. Toen was Lambertus gekomen, een stevige jongen, die samen met Johannes was blijven leven, want hierna was Antoon op twee jarige leeftijd en Jenneke toen ze veertien was, gestorven. Cornelis begreep wel dat de armoede, het eenzijdige voedsel en de slechte leefomstandigheden de oorzaak waren van het overlijden van bijna al zijn kinderen. Het was bij andere families vaak niet anders.

Op 21 maart 1842 had hij een woning met erf gehuurd in de Hondhoekse straat. Het was per opbod gegaan. Het werd verhuurd voor één jaar voor 27 gulden per jaar. Zijn zwagers Johannes van de Poel en Hendrik van Boekel, die ook met dochters van Lambertus Verwaijen waren getrouwd, stonden borg. Bijna een jaar later had hij het huis voor drie jaar kunnen huren en zelfs voor 25 gulden per jaar. Tien jaar later, in de winter van 1852 was hij verhuisd naar de Kleine Koolwijk in Herpen. Daar woonde hij nu. Ze noemden hem daar Crelis of Krel. 

Bijnamen waren heel gewoon.  Bijnamen werden gegeven, niet om mensen te beledigen of uit te schelden, maar vaak ter verduidelijking of om mensen met dezelfde achternaam uit elkaar te houden. Een bijnaam ontstond vaak naar aanleiding van uiterlijke kenmerken, een beroep of bepaalde opvallende eigenschappen. De kinderen en kleinkinderen van Cornelis kregen bij hun naam als vanzelf de toevoeging de Krel. 

Veroordelingen

 

 

Het was een ellendige, moeilijke tijd, waarin de mensen het zwaar hadden, arm waren en soms ten einde raad. Dat wist Cornelis heel  goed. De verleiding was soms groot om dingen te risceren, die niet mochten. Hij kende de gevallen  van enkele  Brokken uit Berghem en Herpen .Het waren schrijnende verhalen.

 

Zo was een Joanna den Brok, dochter van Willem Daniel den Brok, op vierentwintig jarige leeftijd in 1812 getrouwd met Willem Boeijen. Ze hadden het niet breed in deze Franse Tijd en de verleiding was snel daar, toen dochter Hendrien aan Joanna vertelde, hoe ze aan geld konden komen. Ze besloten samen tot een plan. Hendrien zou inbreken, terwijl Joanna op de uitkijk zou staan. Hendrien moest mooie dure spulletjes meenemen en aan Joanna geven, die ze zou verbergen en doorverkopen. Na de inbraak van het zesde huis ging het mis. Ze werden op heterdaad betrapt. Willem, de man van Joanna, wist van alles af en sloeg op de vlucht.

Er volgde in 1818 een proces. Joanna werd beschuldigd van medeplichtigheid aan verschillende diefstallen. Hendrien van inbraak.

De proceskosten waren niet mis, ondanks dat het een simpele zaak was: 127 gulden en 39 en een halve cent. Dat was veel, want een gewone dagloner verdiende op dat moment maar ongeveer 50 cent per dag. De kosten moesten verhaald worden op Joanna, Hendrien en de voortvluchtige Willem Boeijen.

De veroordeling: Joanna moest een half uur te schand staan op het schavot met een brief op de borst, waarop haar misdaad stond vermeld. Ook werd ze veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Hendrien moest voor vijf jaar naar een huis van correctie.

Een uitreksel van de veroordeling werd gedrukt en opgeplakt in Berghem, Oss en Herpen.

Joanna kwam terecht in het tuchthuis in Vilvoorde bij Brussel "om aldaar door haren arbeid haar onderhoud te gewinnen" Ze had het zwaar, werd ziek en overleed na drie jaar.

 

Een Peter den Brok, zoon van Leonardus den Brok en Ardina Thomassen, woonde in Herpen op de Kleine Koolwijk bij zijn ouders. Hij had nog vier broers en vier zussen. Leonardus was arbeider met af en toe werk. Ook Peter had af en toe een karwei. Een vetpot was het niet in het kleine huisje met het grote gezin.

Peter was 21 jaar oud, toen hij op 19 september 1850 in Huisseling op heterdaad betrapt werd bij het stelen van koemest. De rechtbank in Den Bosch veroordeelde hem , omdat hij zonder enige vergunning van de eigenaar te hebben deze koemest had verzameld en geraapt om mee te nemen. Peter bracht er tegen in, dat hij dit had gedaan uit pure armoede. Toch moest hij drie dagen gevangen zitten en draaide hij op voor de proceskosten van 5 gulden 94.

 

Jan Arie den Brok, in de wandel Jentje genoemd, was op 12 november 1842 te Berghem getrouwd met Hendrien Boeijen. Hendrien was de dochter van de ongelukkige Joanna de Brok en Willem Boeijen (zie hiervoor). Jentje en Hendrien hadden vijf kleine kinderen, waarvan de mondjes gevoed moesten worden. In de herfst van 1850 zat Jentje weer eens zonder werk. Er was niets te eten. Uit pure noodzaak besloot hij even langs het huis van de weduwe Jan Francis van Vugt te lopen. Hij had er een aardappelkuil gezien. Het was middernacht toen Jentje bij de aardappelkuil kwam. Snel begon hij de zak, die hij meegenomen had te vullen met aardappelen. Plotseling hoorde hij voetstappen en geklepper. Snel sprong hij op en probeerde zich te verbergen, maar de nachtwaker had hem al gezien en greep hem in de kraag. Hij was er gloeiend bij.

Op de rechtszaak verklaarde de nachtwaker, dat hij "genaderd zijnde, een zak, gedeeltelijk met aardappelen gevuld, nabij een versch gekrabt gat in den kuil heeft bevonden en in dien persoon de beklaagde heeft herkend".

Jentje verklaarde, dat hij "uit nijpende armoede en gebrek aan voedsel voor zijne kinderen hiertoe te is overgegaan, dat hij zich echter nimmer hieraan weder schuldig zal maken"

De rechtbank in Den Bosch veroordeelde hem tot een maand gevangenzetting en het betalen van de proceskosten van 3 gulden en 94,5 cent.