7. AFSTAMMINGSLIJNEN.
Jan Neel Brock was in Berghem een belangrijk man geweest. Bovendien was Jan Neel Brock de stamvader van de familie “den Brok” in Berghem en Herpen. Ook voor mij, Willem, de schrijver van dit verhaal, was Jan Neel Brock een bijzondere voorvader, want van Jan uit liepen er uiteindelijk vier afstammingslijnen naar mijn persoontje.
De directe afstammingslijn via zoon Daniël Nelen Brock naar opa den Brok en tenslotte naar mij komt in het volgende hoofdstuk ter sprake. Nu waren eerst de drie afstammingslijnen vanuit een andere zoon van Jan Neel, Cornelis Jan Nelen Brock, aan de beurt. Vanuit Cornelis liepen er drie lijnen, een afstammingslijn van zoon Jan Cornelis den Brock naar oma den Brok, een lijn van Piet Cornelis den Brock naar opa Boeijen en tenslotte een lijn van Johannes Cornelis den Brock naar oma Bokmans. Alle vier waren ze mijn grootouders.
Cornelis Jan Nelen Brock
Cornelis Jan Nelen Brock was geboren in de winter van 1699. Op 28-jarige leeftijd was hij in een vechtpartij verwikkeld geraakt in de herberg van Roelof Hoex.

Illustratie: Vechtpartij, Monogrammist VH (17e eeuw), ca. 1640 - ca. 1660 (Rijksmuseum)
Het was zoals altijd in die tijd de spanning tussen de protestanten en katholieken, waardoor de vlam in de pan was geslagen. Dat gebeurde wel vaker na de nodige biertjes.
Zijn ruzie met Hendrik Jan Willem Geerits was achteraf onbelangrijk geweest. Hendrik had hem uitgescholden, toen hij niet snel genoeg langs hem heen kon. Cornelis had zich naar hem toegekeerd en in de hitte van de woordenstrijd hadden ze toch hun messen getrokken.Als Hendrick Veudingh zich er niet mee bemoeid had, was het misschien alleen bij dreigementen gebleven, maar nu werd hun woede op Hendrick Veudingh gericht, die met een haardtang tegenover hen was gaan staan. Ook andere aanwezigen gingen zich er mee bemoeien. Er werd gescholden en geduwd. In het gedrang werd Hendrick met een mes gestoken, maar wie het was, wist Cornelis niet. Hij was het in ieder geval niet geweest.
Cornelis was, net als zijn hele familie, landbouwer, maar hij hield wel van wat risico nemen. Hij handelde graag. Zo had hij in 1736 flink wat grond gekocht van Peter Gerits, samen voor 265 gulden. Het perceel werd “Den Elsthof” genoemd en was “twee vaatzaat en twintigh roeden” (d.i. ongeveer 10 ha en 6 a) groot.
Zijn broer Daniël, die financieel wat minder gelukkig opereerde, was gekomen en had geld nodig. Daarom had hij van hem voor 101 gulden "een perceel teullant groot omtrent een vaetsaet ... genaamt Gansacker” gekocht.
Cornelis was in februari 1739 met Eijke Hermen Swackenbergh getrouwd. Zij hadden acht kinderen gekregen: Jan , Maria
( jong overleden), Johannes , Matthias, Adrianus, Antonius, Petrus (Piet) en Maria.
In 1745 was Gerrit Dirxe Lieverinx, die “ruyter onder het regiment garde te paert in dienste der Verenigde Nederlanden” was, gekomen. Hij had interesse in de grond, die hij van zijn broer Daniel had gekocht. Dus verkocht Cornelis deze grond aan hem voor 101 gulden en 5 stuivers.
Soms had hij ook even wat geld nodig en leende dan wat, zoals in 1751. Het was honderdvijftig gulden tegen 4 procent rente. Ergens anders leende hij 70 gulden, die hij een jaar later zou moeten terug betalen met drie gulden rente.
In 1759 kocht hij van de erfgenamen van Eijke Wouter Alers een huis met hof in het Duureind voor 690 gulden.
Twee jaar later verkocht hij voor 100 gulden aan Hendrik Wouter Bueters een perceel teelland, dat de Vaalstrepen heette.
Cornelis Jan Nelen overleed, vijf en zeventig jaar oud, op 11 mei 1774 te Berghem.
Het Katholicisme was in die tijd belangrijk. Dochter Mie (Maria) , die ongehuwd was gebleven, was erg gelovig en in 1777 toegetreden tot de Berghemse broederschap van de heilige Rosenkrans (Confraternitas SS Rosarii). Iedereen kon lid worden van de broederschap. Het was de bedoeling, dat je minimaal drie keer per week het rozenhoedje bad met de overweging van de geheimen. Je kon er een aflaat mee verdienen. Aflaat betekende kwijtschelding. De kerk vergaf jou je zonden.
De mysteries (of geheimen) van de rozenkrans waren belangrijke gebeurtenissen uit het leven van Jezus waarover je kon mediteren tijdens het bidden van de rozenkrans.
Maria was ziek geworden en maakte in 1818 haar testament op, waarbij zij aan haar broer Piet “...een halve morgen in de Klijnsteeg, Item de meubelen, kleederen, goud, zilver, gemunde en ongemunte specien hoegenaamt van welks gedaante of allooy dezelve zijn mogen...” schonk. Aan haar andere broer Johannes Jan den Brok en haar zus Johanna Jan den Brok legateerde zij “... een halve mergen in de Lange Nieuwe Heide...” Antonie Cornelis den Brok kreeg: “... een koeij, dewelke hij al reeds in gebruik heeft...”

Rozenkrans
De afstammingslijn vanuit Jan Cornelis den Brock.
Johannes Jan den Brok moest terugdenken aan zijn overleden ouders Jan Cornelis den Brok en zijn moeder Petronella Geurt Goliaarts, maar ook aan zijn zus Johanna, die nog leefde. Zijn andere zus Cornelia was op dertien jarige leeftijd overleden. Hij had als boer altijd hard gewerkt en was nu 35 jaar.
Het was nu 27 februari 1807. Johannes Jan den Brok zat samen met zijn vrouw Johanna Maria, haar vader Geert van Zeeland, zijn vrouw Geertrui Hoefs en hun zoon Gradus bij elkaar in de woonkamer van Geert en Geertrui. Ze spraken over de overeenkomst die ze de dag er voor officieel hadden laten vastleggen.
Johannes moest terugdenken aan hoe het zo was gekomen. In 1795 was hij gehuwd met Johanna, de dochter van Geert. Ze hadden al zes kinderen : Joannes (Jan Johannes), Piet, Gerardus, Elisabeth, Cornelis en Geert. Financieel was het niet allemaal goed gegaan. Eerst had hij van zijn oom een perceel broekland (zeven en half hont groot) voor 290 gulden gekocht, maar in geldnood had hij twee jaar later een perceel broekland (15 hont groot) voor 700 gulden moeten verkopen. Omdat zijn oude huisje te klein was geworden had hij in 1804 een huis en land in de Landerstraat voor 735 gulden gekocht. Het huis was belast met "twe vat rog jaarlijks aan den armen dezer plaats te vergelden". Er rustte ook een hypotheek op het huis van 39 gulden, 1 stuiver en 4 penningen. Samen met zijn broers Piet en Antonie en met Lambert van den Spijker hadden ze van Aletta Cornelia Bourer, de weduwe van professor Abdias Velingius, 600 gulden geleend, die na een jaar terugbetaald moest worden met voor elke honderd gulden 6 gulden rente. Financieel was hij toch wat in de problemen gekomen, In 1807 had hij een schuld aan de procureur van Den Bosch van “vijfhondert en vijftig guldens Hollands..interest tot zes gulden van ider hondert gulden, jaarlijks tot de voldoening en aflossing”.
Ondertussen had zijn schoonvader begin december aan zijn zoon Gradus voor 700 gulden dit huis en hof in de Waterstraat met weiland, schuur, bakhuis en andere gebouwen verkocht. In één kamer mochten Geert en zijn vrouw blijven wonen.
Maar door de problemen van Johannes en Johanna en de bereidheid van Gradus hadden ze de koop ongedaan gemaakt en een nieuwe overeenkomst gesloten. Het was de redding voor hem, zijn gezin en zijn problemen.
Gradus had alle goederen van zijn vader overgedragen aan Johannes Jan als deze hem vrij hield van eventuele kosten en aanspraken. Johannes Jan zou van zijn schoonvader dan alles erven, mits hij hem en zijn vrouw onderhield en verzorgde als ze dit nodig hadden.
Geert en Johannes waren verder overeen gekomen, dat hij alle roerende en onroerende goederen van Geert en zijn vrouw zou ontvangen na hun dood onder voorwaarde, dat er geen onenigheid zou ontstaan met Geert of zijn vrouw. Dan zou hij jaarlijks contant 150 gulden moeten betalen. Was er sprake van een goede relatie, dan zou hij Geert en zijn vrouw moeten onderhouden met kost en drank zoals Geert zou mogen verwachten. Als hij of zijn vrouw ziek zouden worden dan zou hij moeten zorgen voor behoorlijke verschoning en oppas, maar ook dat er hulp van " docters en churigijns" kwam. Als ze waren overleden, dan moesten hun lichamen behoorlijk ter aarde worden besteld en bovendien moest er nog de som van honderd guldens betaald worden voor eventuele zielmissen.
Zo bij elkaar zittend waren ze allemaal tevreden. Het gesprek ging aanvankelijk nog over alle details van de overeenkomst, maar al gauw kregen de dagelijkse beslommeringen de overhand.
Toch nog wat onverwacht was Geert een paar maanden later overleden. Johannes verkocht het huis het jaar daarop voor 1102 gulden 1 stuiver en 4 penningen "een huis en hof gelegen te Berchem op het Duureynd" , Johannes en Johanna hadden nog drie kinderen erbij gekregen: Anna, Gerardus, die maar drie jaar werd en Ida.
In 1839 overleed Johannes Jan, tien jaar later zijn vrouw. Het huis in de Landerstraat (tegenwoordig Burgemeester van Erpstraat) werd door de kinderen na de dood van hun ouders in 1842 verkocht.
In de erfenis werd het als volgt omschreven: “Een huis en erve met aangelegen tuin en bouwland staande en gelegen te Berchem ...als huis en erve ... ter groote van zes roeden, tuin ... ter groote van vier roeden een en tachtig ellen en bouwland ...ter groote van zes en twintig roeden negentig ellen ... voor en omme de somme van zes honderd gulden.”
Kleinzoon Simon den Brok, meestal Sijmen genoemd, was 76 jaar geworden en had besloten dat hij van verschillende zaken afstand moest doen.
Zijn leven lang was hij landarbeider geweest en had een klein boerenbedrijfje. Nu moest hij wat kwijt en liet een advertentie in de krant zetten: "Te koop..3 gevende koeien, 2 hokkelingen, 1 kalf, 7 schutteling varkens, 25 kippen met haan, een partij stalmest, gehakt elzenhout en bonenstaken. Verschillende partijen haver, rogge, gerst, eetaardappelen, roode en witbloem aardappelen, poters, industriepoters, hooi, stroo, roggestroo, haverstroo, enz. Fornuispot van 150 liter, wanmolen, bietensnijder, zeven verschillende soorten kuipen, tonnen, pannen en potterij, gewicht en schalen. Huishoudelijke inboedel als tafels, stoelen, spiegels, schilderijen, regulateurklok, enz..."

Simon (Sijmen) den Brok
Zijn gedachten gingen terug naar vroeger, zijn jeugd, zijn ouders Cornelis den Brok, vaak Cees genoemd, en zijn moeder Maria Elisabeth van den Bogaard. Zij was spinster. In gedachten zag hij haar nog achter het spinnewiel zitten. Ze hadden in het Durendseind gewoond, eerst in de Hondshoek, later in de Koppelsteeg. Sijmen had twee broers Johannes en Sillius en een zus Wilhelmina gehad. Maar liefst vijf jaar was hij in militaire dienst geweest. Op zijn vijfendertigste was hij getrouwd met Cornelia van der Venne. Eerst hadden ze een huisje betrokken in de Kattenhoek. Hier waren de kinderen ter wereld gekomen: Bernard (Bertus); Helena, die slechts ruim één jaar werd; Helena, Cornelis (Kil); Wilhelmina (Mien); Petronella Maria, die maar vijf maanden werd; Petrus Lambertus, die drie maanden oud werd; Petronella Maria (Nel), die ook trouwde met een Brok, namelijk Johannes Hendricus (Has) den Brok. Toen de kinderen groot waren verhuisden ze in 1910 naar de Hondshoek. Ondertussen was ook zijn dochter Helena (Lentje) getrouwd en wel ook met een Brok, namelijk Willem.
Hun zoon Piet trouwde met Lena Boeijen, waaruit ik tenslotte voortkwam.
De afstammingslijn vanuit Piet Cornelis den Brok
De volgende zoon van Cornelis was Piet (Petrus) Cornelis den Brok.
Piet werd in 1751 geboren. Hij trad in het huwelijk met Maria Lindert van Dijk in Herpen in de herfst van 1785. Ze kregen tien kinderen: Cornelis, Leonardus (werd twee), Leonardus, Yda, Maria, Johannes (leefde een half jaar), Wilhelmina, Joannes en Johanna. Piet overleed te Berghem in 1820.
Zoon Johannes den Brok werd in 1806 geboren. Hij werd ingeloot voor militaire dienst en in 1825 ingedeeld als milicien voor de tijd van vijf jaar in het vijfde regiment infanterie. Hij werd fuselier. Een fuselier was een type soldaat dat aan het einde van de 17e eeuw ontstond. Hij werd vernoemd naar zijn wapen, het 'fusil'; dit was een vuursteen slotmusket dat lichter en korter was dan het lont slotmusket dat door de musketiers werd gehanteerd.
Zijn signalement luidde: “lang 1 ellen, 6 palmen, 2 duimen, 6 strepen. Aangezigt: ovaal; voorhoofd: hoog; oogen: grijs; neus: ordinair; mond: idem; kin: rond; haar: bruin; wenkbrauwen: idem; merkbare tekenen: een lidteken aan het voorhoofd.”
In 1841 trouwde hij met Anna Maria van Limburg. Ze kregen drie kinderen: Maria, Johanna Maria en Francina. Hij woonde op de Hondshoek. In 1853 stierf hij.
Dochter Maria den Brok was de moeder van de vader van mijn moeder. Zij werd geboren te Berghem in 1842, Op 10 november 1869 trouwde zij met Leonardus Boeijen. Zij zette tien kinderen op de wereld: Joachim, Johanna, Willem, Johannes, Lambertus, Willebrordus die maar drie maanden oud werd, Marinus, die ook nog geen vier maanden , Anna Maria, Hendrikus (leefde één maand) en Willibrordus. Maria overleed in 1922 te Berghem.
Zoon Johannes Boeijen trouwde met Anna Maria Bokmans. Hun dochter Lena Boeijen trouwde met Piet den Brok, waaruit ik weer werd geboren.

Maria den Brok
De afstemmingslijn vanuit Johannes Cornelis den Brok.
De derde zoon, Johannes Cornelis den Brok, werd geboren tegen Kerst op 20 december 1743 als tweede kind van Cornelis Jan Nelen Brock en Eijke (Ida) Hermen Swackenbergh.
Johannes was nu 65 jaar. De inventaris van zijn boerderij en van zijn onroerende goederen moest opgemaakt worden, want hij ging voor de derde keer trouwen. Wat was er veel gebeurd in zijn leven. Tot zijn dertigste had hij op de boerderij van zijn vader gewerkt tot hij op 23 mei 1773 met IJke Peter van de Poel trouwde. Ze waren gaan wonen op een boerderij in de Hondshoek in het Durendseind. Het Tuureind of Tuurènd, zoals het genoemd werd. Hier vlak bij de heide hing nog de sfeer van geheimzinnigheid en spannende verhalen. Je vond er mooie namen als Heihoek, Hondshoek, Kattenhoek en Helstraat.
In het jaar van zijn huwelijk werden de "gemene gronden" van de gemeente Berghem aan de hoogst biedende verkocht. Deze gronden, heide in het zuiden en broekland in het noorden, waren voor deze tijd door iedereen vrij te gebruiken. Na de verkoop van de gronden werd deze dan vaak weer voor een mooie prijs doorverkocht. Dus kocht hij, Johannes Cornelis, het jaar daarop van Johannes Ariens van den Heuvel een stuk grond in de Berghemse Heide voor zo'n zes gulden per jaar. Met IJke had Johannes Cornelis één kind gekregen: Cornelis.
Hij had een redelijk grote boerderij. Hij was niet echt arm. Achter het woonhuis was de potstal en de schuur. De ingang zat aan de voorzijde. Binnen kwam je in de herd, waar een bedstee was, maar ook het open vuur met de ketel erboven aan een hangijzer. Je kon van hieruit naar de "goei kamer" en naar de geut, wat een soort bijkeuken was. In de potstal stonden de koeien en ander vee. Daarachter was de schuur, waar gedorst werd en het graan werd opgeslagen in de "tas".
Zoals de meeste boeren had Johannes Cornelis ook een gemengd bedrijf en was hij grotendeels zelfvoorzienend.
Rogge werd geteeld voor eigen gebruik en voor het vee. Meestal aten ze aardappelen, groenten uit eigen tuin (hof), roggebrood, wat vlees en spek. Ze dronken melk en koffie en ook wel eens bier. De hygiëne was over het algemeen slecht.
Het land werd vaak zo'n vijf keer omgeploegd om het te beluchten en onkruidvrij te houden. Na het braak liggen begon een cyclus van vruchtwisseling. Eerst werd koolzaad gezaaid en gemest met stalmest, daarna kwamen rogge en tarwe aan de beurt. In het volgende jaar klaver en daarna haver. De akkers werden van elkaar gescheiden door ploegvoren.
Maaien ging met de zicht in de hand. De graanhalmen werden met een hand met een hak beweging afgesneden en met een pikhaak in de andere hand bijeengehouden tot een losse garf. De garven werden op hokken (schoven) gezet om te drogen op het veld. In de zomer werd het graan dan binnengehaald in de schuur. In de winter werd het graan gedorst met de hand. De dorsvlegel was van hout. Het dorsen gebeurde op de lemen vloer van de deel. Daarna werd het graan met de wanmolen gereinigd.
In de potstal werd de mest van de koeien opgepot en later gebruikt voor het land. Het was er donker, onhygiënisch en het stonk verschrikkelijk.

Op 11 april 1776 was zijn vrouw IJke overleden. Het was een harde klap. Johannes wilde niet alleen blijven. Een half jaar na haar dood al trad hij in de herfst van dat jaar in het huwelijk met Antonia Hermens (Verwaijen). Hun eerste kind, een meisje, stierf bij de geboorte. Een jaar later werd Ida geboren. Op 11 september 1780 kwam Cornelia ter wereld. Twee jaar later werd Maria geboren. Op nieuwjaarsdag 1784 kwam Elisabeth en weer een jaar later op 5 februari 1785 zag Petronella het levenslicht. Dan nog geen jaar later op 11 januari baarde Antonia haar zevende kind, dat bij de geboorte overleed. Diezelfde dag in 1786 stierf ook Maria, nog net geen vier jaar oud. Ja, vreugde en verdriet hadden zich afgewisseld.
Begin 1788 had Johannes voor 195 gulden gekocht : "een parceel teulland, gelegen in de Waatselaar groot circa een halven mergen". Eind van het jaar op 17 december werd Joanna geboren. Op 22 april 1791 kwam Maria ter wereld, maar al tien dagen later moest ze die weer verlaten. Dan op 18 april 1793 beviel Antonia van weer een kind, dat dood werd geboren. In mei stierf ook de moeder van Johannes Cornelis op tweeëntachtig jarige leeftijd.
In de herfst kocht hij van Hendrik Peters van de Poel voor 302 gulden "een parceel teulland gelegen op de Groote Halve Morgens, groot circa 3 vatz.. toonende zijn klinkende en blinkende penningen ... om te doen verrichten hetgeen een naderman gehouden schuldig en verpligt is, en wil onderhouden en dragen alle kosten ... "
Op 20 juni 1794 werd Joannes (Jantje) geboren en gedoopt. Weer twee jaar later kwam op 5 november 1796 de volgende spruit: Ida.
In 1798 kocht Johannes Cornelis voor 332 gulden van Peter Goosens Broers en Arien Cornelis den Brok, zijn broer, "een parceel teulland gelegen op de Groote Halve Morgens, groot 2 lop..."
Van Rut en Machiel van Deutekom wist hij in 1800 voor 434 gulden "een parceel teulland genaamd het Tijssenhof, op het Geerke, groot circa een halven mergen..." te verkrijgen.
Vervolgens: Op 15 mei 1801 verkocht Peeter (Piet) Cornelis den Brok, ook een broer van Johannes, aan Jan Heymeriks van Schayk voor 665 gulden "een perceel land genaamd het Elsthof, groot 6 vatz." Maar deze kon zijn schuld niet voldoen. Op 11 februari 1802 was hij, Johannes, zijn broer te hulp geschoten ... " voor schepenen van Berchem is verschenen Johannes Cornelis den Brock, toonende zijn klinkende en blinkende penningen en heeft zijn genaast, Peeter Cornelis den Brok gelost en gekweten, een perceel land... land dat verkocht was door laatstgenoemde aan Jan Heymeriks van Schayk genaamd het Elsthof, groot circa 3 lop[ense] voor 665 gulden."
In 1803 was het feest, want Ida, inmiddels al 24 jaar, trouwde met Roelof Willem van Erp. Op 5 juli 1807 trad Cornelia in het huwelijk met Jan Rembert van Rodijnen. De feestvreugde was tien dagen later over, want zijn sterke vrouw Antonia, die maar liefst dertien kinderen had gebaard, overleed en dus kwam er een begrafenis. Het was de zoveelste klap.
Iets meer dan een half jaar later op 5 februari 1808 was er toch weer bruiloft, omdat Elisabeth trouwde met Roelof Jan van Grunsven.
Johannes Cornelis vond dat zijn kinderen een moeder nodig hadden. Hij had Adriana (Adriaantje) Daandel van den Elsen uit Boekel ontmoet en zou met haar op 10 juli gaan trouwen. Vanwege dit derde huwelijk moest er een inventaris worden opgemaakt. Hij had een prachtige boerderij en hof in de Hondshoek, groot circa 3 lopense (ongeveer bijna een halve ha.), verder nog: drie keer een halve "mergen"op de Halve Mergens (dat is samen bijna een ha), ongeveer anderhalve lopense naast de hof, acht hond land in de Nieuwe Heijde (een hond was 0,15 ha) en daar ook nog een halve mergen, een halve mergen op Waatzelaar, een halve mergen op Tijsenhof en een stuk grond van 3 lopense op de Elshof. In totaal besloeg zijn grond ongeveer 3,8 ha. Ook had hij veel losse goederen, die allemaal geinventariseerd moesten worden. Even pakte hij zijn snaphaan vast. Dat was een vuursteenmusket. Het gaf hem een veilig gevoel.

Een vuursteenmusket
Ida den Brok was de dag na de geboorte van het achttiende kind van Johannes naar de vrouw van haar vader gegaan. Jaantje noemde zij haar, want het was niet haar moeder. De kraamvisite was altijd een vreugdevolle gebeurtenis, maar er zat nu ook een zwart randje aan. Haar vader was in de voorzomer van 1810, 66 jaar oud, getrouwd met Adriaantje van den Elsen uit Boekel, die = al zeven maanden zwanger was geweest. Op 16 augustus van dat jaar werd Antonius geboren. Op 1 december 1812 volgde Anna en drie jaar later Cornelia.
Eind 1816 was Johannes Cornelis, haar vader, ziek geworden . Zijn vrouw Jaantje had toen de zakelijke kant waar genomen. Zo kocht zij in december een perceel bouwland in de Kattenhoek voor 130 gulden van Willem van Kessel. Ook kocht ze voor 200 gulden een perceel bouwland "De Lijssenhof" van Govert Rooijakkers. Op 17 mei 1817 passeerde een akte, waarbij Adriana een huis en hof in de Kattenhoek kocht.
Twee dagen later op 19 mei 1817 was haar vader Johannes Cornelis den Brok, vier en zeventig jaar oud., overleden. Ida had toen ook het verdriet van het overlijden van haar man Roelof van Erp intens gevoeld.
In verband met de aanwezigheid van minderjarige kinderen had verzegeling van het huis plaatsgevonden. In het sterfhuis was zij, Ida, toen aanwezig , samen met Jan den Brok, die tot bewaarder der zegels werd aangesteld.
Ida den Brok was gehuwd met Rudolphus van Erp. Zij kregen een dochter Ida Gijke van Erp die de vrouw werd van Leendert Bokmans. Hun dochter Anna Maria Bokmans huwde met Johannes Boeijen en hun dochter Lena Boeijen, die met Piet den Brok huwde, was mijn moeder.
Terug naar: