2. DE BROCKENHOEVE
Wolterus Broc.
Wolterus Broc zat met zijn vrouw Helwigis die warme nazomeravond in 1298 op de door zijn vader Jan gemaakte boomstambank naar zijn boerderij te kijken, een prachtige grote hoeve, die in de volksmond al de Brockenhoeve werd genoemd. Hij had goed geboerd en was nu een vermogend man. Hier in Ghesel was hij iemand. Hij werd Wolterus of vaak ook Wouter Broc genoemd, soms ook Wouter de Ghesel, als hij in andere plaatsen kwam om spullen te kopen.
Ghesel was maar een gehucht bij Helvoirt. Er stonden maar enkele grote boerderijen. Helvoirt lag op de scheiding van een moerasgebied en hoger gelegen grond. Er was daar een doorwaadbare plaats, een “voort” en de “hel” wees op hogere grond. Die doorwaadbare plaats was in de buurt van de kerk in de weg naar Vught, bij de Helvoirtse Dijk. Het hele gebied in het noorden was moeras, broekland en dorre heidevlakte. Om door dit gebied te komen liepen de paden over de hoger gelegen gronden van de ene doorwaadbare plaats naar de andere. Dit gebied werd doorsneden door talrijke riviertjes en beken.
Regelmatig kwam hij in herberg “De Engel”, die in Helvoirt aan 't Eind lag, met de Kerkstraat en Molenstraat aan weerskanten, daar waar ook de grote zandweg van Tilburg naar 's-Hertogenbosch de straten kruiste. Soms was het druk in de vele herbergen, wanneer er weer handelaren langs trokken op weg naar Den Bosch of naar Oisterwijk. Wouter ging er graag na gedane arbeid wat bier drinken. Er werd daar soms onderhandeld over zaken, maar ook ging hij er graag heen om naar de vele verhalen te luisteren over vreemde plaatsen en vreemde dingen.
In de buurt bevond zich de windmolen van Helvoirt, waar Wouter met zijn graan regelmatig naar toe ging. Zijn vader Jan, die de hoeve had uitgebouwd en veel land had ontgonnen, was door het zware werk helaas al overleden toen Wouter net volwassen was. Zijn moeder was al bij zijn geboorte overleden. Het was zwaar geweest om alleen verder te gaan, maar al snel had hij zijn lieve vrouw Helwigis ontmoet. Dat was in Oisterwijk, waar hij voor zaken naar de nieuwe schepenbank was geweest. Ze waren getrouwd en omdat Helwigis een grote hoeve tussen de Biezenmortel en Udenhout van haar vader had geërfd, hadden ze het erg druk gehad met de twee hoeven, ondanks dat ze veel mensen in dienst hadden.
Wouter keek hoe zijn zoon Jan Wouter met een grote spade de stal in ging en verbaasde zich er over, dat die nog zo laat aan het werk was. Wat kon die hard werken. Zijn zoon was zijn steun en toeverlaat. Jan Wouter hielp hen, wetende dat hij de Brokkenhoeve zou overnemen. Maar hij zorgde met zijn gezin er ook voor, dat er nog leven in de brouwerij was op de boerderij.
Wouter zuchtte, keek Heilwigis aan en zei: “Vrouw, we hebben het prima gedaan. De kinderen zijn op hun plek. Engelberna, onze jongste is net gehuwd met Joannes Rosekens. Dat is een goede knul. Aleijdis is met Bertholdus Stempel, de zoon van mijn beste vriend Bertoldus, getrouwd. En ons kleinkind Johannes Stempel is zo'n leuk manneke.”
“Ja, dat is waar” antwoordde Heilwigis en vervolgde: “Onze oudste, Johannes, doet het met zijn vrouw Bessela ook best op de hoeve in Biezenmortel, die hij nu beheert. Gelukkig mocht zijn zus Helwigis met haar man in het woonhuis bij de hoeve wonen. Ze hebben zo mooi steun aan elkaar."
Waar op Wouter verder ging: “En onze Jan Wouter met zijn vrouw en vijf kinderen woont hier gezellig bij ons op de hoeve. Hij heeft echt hart voor het boeren . “
De stilte van de zomeravond nam weer bezit van hen. Hij keek hoe de kraaien op het strooien dak insecten zochten. Een konijn huppelde van de hoek van de schuur naar een verderop gelegen struik. Wouter glimlachte. Nadat hij zijn vrouw een zoen had gegeven, legde hij zijn hand om haar schouder. Ze genoten nog lang van de mooie avond.
Jan Wouter Broc
Ze zaten met z'n drieën rond de houten tafel in de woning van Gheenken : Gheenken Visser zelf, Janne van den Plasche, de rentmeester van Brabant en schout van 's-Hertogenbosch en hij, Jan Wouter Broc. Ze stootten hun pullen bier tegen elkaar bij de toost. “De koop is rond” , lachte Janne, “Ik ben net terug uit Brussel, waar Jan II, de hertog van Brabant de koop heeft bekrachtigt. De windmolen van Hellevoert, hier op de Herstraet is van jou, Jan. Ook deze woning met erf.” Janne legde de brief met ondertekening voor hem neer. “Kijk hier staat de datum: 28 september 1311”.

Oude korenmolen bij Helvoirt (Molendatabase, ansichtkaart serie 56, nr 5)
Jan was tevreden. De investering in de molen was een goede beslissing. Steeds meer boeren kwamen er hun graan brengen. Hij was op het idee gekomen, toen hij enkele jaren daarvoor van Gheenken goederen te Leendonck en ook nog 7 bunder weide in het broek tegenover de woning van de priester van Helvoert, die overigens belast waren met hertogcijns, gekocht had. Gheenken had er terloops over gesproken, dat hij te oud werd en er mee op wilde houden. Toen had zich bij Jan de gedachte vastgezet om de molen over te kopen. Door al zijn land, waarop hij graan verbouwde, maakte hij toch al veel gebruik van de molen. Het zou een goede investering zijn. Hij had tenslotte vijf kinderen, die ook een toekomst moesten hebben. Het waren fijne kinderen: Wouter, Hendrik, Jan, Leonius en Heilwich.
Ze spraken nog even over wat randzaken omtrent de molen. Nadat Janne de bevestiging had gekregen dat hij dit jaar nog of anders begin volgend jaar de 7 bunder weide van Jan Wouter kon overkopen, zoals al eerder beloofd was, stond Janne op met de mededeling: “Ik moet nog terug. In de stad wachten nog andere zaken.”
Ook Jan nam afscheid van Gheenken en wandelde huiswaarts. Met een voldaan gevoel keek hij naar de Helvoirtse molen. Hij deed goede zaken, iets wat hij van zijn vader had geleerd, die al enkele jaren geleden was overleden.
Hij zou nog even langs de plek lopen, waar Hendrick bij de schapen was. Jan Wouter was ook mede-eigenaar van het Gemeint bij Helvoirt, zodat hij gebruikersrecht had om op de woeste grond zijn schapen te laten grazen, of om er hout te kappen, turf te steken of plaggen af te vlaggen om in de potstallen te verstrooien en te vermengen met de mest, zodat het later als humuslaag op het land gebracht kon worden.
Ongeduldig ijsbeerde Jan Wouter voor zijn hoeve op en neer. Binnen stond zijn lieve vrouw Heilwich op het punt van bevallen. De vroedvrouw was al opgehaald. Bij elke nieuwe bevalling had Jan Wouter het moeilijk. Dat was sinds zijn eerste vrouw was overleden bij de geboorte van zijn dochter Heilwich. Enkele jaren was hij alleen geweest. Dat was een moeilijke tijd geweest. Zijn broer Johannes was in het jaar dat hij de molen had gekocht overleden en had zijn ziekelijke vrouw Bessela met de kinderen achter gelaten. Zij had al snel schulden en moest die opvangen door veel grond te verkopen. Jan Wouter had door zijn investeringen niet kunnen helpen. Na de dood van Bessela en wat later ook zijn zus Heilwich, had hij zijn nieuwe vrouw ontmoet: Heilwich van Erpe.
Ze was wel bijna twintig jaar jonger dan hij, maar nu ook al zo oud, dat deze bevalling extra spannend was. De kinderen, die Heilwich had gebaard, waren steeds vlot geboren: Mechteld, Engelberna, Arnoldus en Bela. Maar nu leek het eindeloos te duren. Hij bad God, dat het snel voorbij zou zijn.
Jan Wouter keek naar zijn jongste dochter Aleijdis, die dansend voor hem langs kwam. Het was feest op de Brockenhoeve. Hoewel het niet de gewoonte was om verjaardagen te vieren, had Jan Wouter besloten om zijn zeventigste jaardag te gebruiken als familiedag. Het was tenslotte een uitzonderlijke mijlpaal en zijn kinderen kwamen zelden allemaal bij elkaar. Het was een zonnige dag, niet te warm, maar heerlijk om buiten te vertoeven. Voor de hoeve stonden lange tafels vol etenswaren en drank. Hij had gezorgd dat het de familie aan niets zou ontbreken. Er was gekookt fruit en groente en vlees van kip, eend en konijn, bereid met allerlei kruiden. Hij had zelfs voor wat vis gezorgd. Natuurlijk waren er broden in overvloed en bier en wijn om alles weg te spoelen.
Om de feestvreugde compleet te maken had hij jongleurs gevraagd, die muziek maakten en liederen zongen. Van de vrolijk uitgedoste mannen speelde er een op zijn veder (een soort viool) en een ander op een schalmei (een soort hobo). Weer een ander zong er bij.
Zijn kleinkinderen renden vrolijk joelend rond. Jan keek over de tafels en zag al zijn kinderen en kleinkinderen. Zo waren er Hendrik en zijn vrouw Katharina met hun kinderen Johannes, Lucas, Ghiselbertus en Ricoldus, maar ook zijn zoon Waltherus met zijn zoon Arnoldus, evenals Leonius met zijn dochter Heilwich. zijn zoon Jan met zijn vrouw Hilla en hun kinderen Johannes, Petrus, Henric en Heilwich en tenslotte ook zijn dochter Heilwich uit zijn eerste huwelijk. De kinderen van hem en zijn vrouw Heilwich van Erpe waren er vanzelfsprekend ook: Mechteld, Engelberna, Arnoldus, Bela en Aleijdis. De laatste drie waren nog wel niet volwassen, maar al wel groot. Arnoldus hielp hem veel op de hoeve.
Verder was er ook nog wat aanverwante familie met hun kinderen..
Moeizaam stond Jan Wouter op, bonsde een paar keer op de tafel tot hij de aandacht van iedereen had en nam het woord: “Fijn dat jullie allemaal hier aanwezig zijn. Het leven is me goed gezind geweest. We hebben een groot gezin met lieve kinderen en kleinkinderen, een mooie boerderij, veel land in de omgeving en zelfs molens. Nu wil ik dat iedereen geniet en feest viert. Dank allemaal.” Er volgde applaus en tevreden ging Jan Wouter weer zitten.
Wat er in de toekomst met al zijn bezittingen zou gebeuren, wist hij nog niet. Hij moest echt eens zijn testament gaan maken. Het zou nog een hele puzzel worden om alles eerlijk te verdelen. Een vrolijke gezang haalde hem uit zijn mijmeringen. Hij nam een slok bier en begon mee te zingen. Het feest duurde voort tot de duisternis viel.

Vedel speler
Terug naar: