4. HAAREN
Oud.
Als er iemand oud was geworden, dan waren zij het wel, vond Willem. Willem Peter Brock zat samen met zijn vrouw Aleijdis bij het haardvuur, waarboven een ketel hing te pruttelen. Mechteld, hun getrouwde dochter, had hen een kom drinken gegeven, een soort soep van bonen en uien.
Aleijdis en hij waren als buurkinderen samen opgegroeid en hadden automatisch een paar gevormd. Al meer dan zestig jaar waren ze bij elkaar. Nog altijd hield hij van haar.
Willem moest terugdenken aan 's-Hertogenbosch, aan zijn ouderlijk huis in de Hinthammerstraat, waar hij geboren was. Na de dood van zijn vader hadden zijn broer Gerard en zijn zus Metta (Mechtildis) het huis gekregen, maar toen zijn moeder Engelberna hertrouwde met Nycholaus van den Elsen, had deze het teruggekocht. Later na de dood van haar tweede man, had zijn moeder het huis weer verkocht.
Gerard, die getrouwd was met Yden Everaerts van Hyntham, maar nog geen kinderen had, was getroffen door de pest. Hij had nog wel een legaat van 40 gouden nobels geschonken aan de Tafel van de Heilige Geest. Zijn afschuwelijke dood vergat Willem niet gauw.
Willems botten deden pijn. Het was buiten koud. Het was een strenge winter. Wat was hij oud geworden. Ja, hij was ook in de winter van zijn leven. Hij had al zijn broers en zussen overleefd: Johannes, die met Kathelijn was getrouwd en schepen in Sint-Oedenrode was geweest, Hendrick, die drie keer was gehuwd en zeven kinderen had gekregen, Mechteld, die ook drie keer was getrouwd, Peter met zijn zeven kinderen, Aert met zes kinderen, Godevaert, die met Geertruud acht kinderen had , Marten, die met Ermgard zeven kinderen had gekregen, Elisabeth, gehuwd met Jan van Kijnderen, Engelberta, gehuwd met Jan Vriese, Gerard Met Yde, die kinderloos waren gebleven en kort geleden nog Theodoricus.
Met tevredenheid kon hij terugkijken. Hij had een grote boerderij, heel veel grond in Haren, Heukelom, Helvoirt en omgeving. Vier kinderen had hij: zijn zonen Peter, Jacob en Claes en hun dochter Mechteld, die met Janne Peter Daneels getrouwd was, maar nu regelmatig hen kwam helpen. Zijn zonen Jacob en Claes waren beide getrouwd en boerden ook goed.
Hij moest aan zijn zoon Peter denken, die als jongen een avontuurlijke aard had gehad net als hij zelf. Peter had, nadat hij een keer met hem op pelgrimstocht naar Maria in 's-Hertogenbosch was gegaan, net zo lang gezeurd, dat hij een pelgrimstocht naar Sint Servaas in Maastricht mocht ondernemen. Willem had hem met een bezwaard hart laten vertrekken. Peter had er uitgezien als een echte bedevaartganger: lange jas, stevige schoenen, stok in de hand, aan de broekriem een mes en veldfles, een rugzak en op zijn hoofd een vilten hoed met brede rand. Willem had hem goed gewaarschuwd voor het gespuis onder weg, maar ook voor andere bedevaartgangers, die minder eerbare bedoelingen hadden. Gelukkig was hij na iets meer dan een maand weer veilig thuis gekomen met een ervaring rijker. Wat had hij er nog vaak over verteld.
Ze dronken langzaam hun soep op. De warmte maakte hen slaperig. Voorzichtig pakte Mechteld de kommen uit hun handen. Ze zag hen knikkebollend wegdommelen.
Peter
De dood van zijn vader had veel impact op Peter Willem Broc, ook al was hij zo oud geworden. Voor Peter was zijn vader zijn voorbeeld. Peter was, net als zijn vader vroeger, lid van het gilde "De Oude Schut". Hij vond het jammer dat hij dit jaar 1437 niet aan de optocht in Eindhoven had kunnen meedoen, omdat hij op dat moment zo slecht ter been was. Maar hij had er alles over gehoord. "De ghebuer van Haren voeren uut opti reijse tot Eijndhoven met 6 scutten ende met enen waghen". Er werd verteld dat het een prachtig feest was geweest met een mooie optocht, waar natuurlijk het Catharina gilde van Eindhoven zelf niet aan ontbrak.
De brand was zelfs tot in Haaren te zien geweest. Peter had er alles over gehoord. In mei was hij met zijn zoon Wouter nog in 's-Hertogenbosch geweest om de Sint Jan te bezoeken en even langs te gaan bij zijn zoon Goyart uit zijn eerste huwelijk, die in de stad woonde.

De stadsbrand op het drieluik "De gekruisigde martelares" van Jheronimus Bosch (1497 of later). Dogepaleis Venetie, publiek domein.
Iets meer dan een maand later op 23 juni 1463 was het gebeurd. Door onvoorzichtigheid van een "blauwverver"in de lakenweverij was het pand "De Grote Ketel" van de familie Coenen in de Verwersstraat als eerste in vlammen opgegaan. Door de rieten daken en de noordwestenwind had het vuur zich razendsnel verspreid langs de Verwersstraat naar de Vughterstraat. Daarna langs de Snellestraat en de Postelstraat naar de haven en de Visstraat. Meer dan 350 huizen werden verwoest. Ook het minderbroedersklooster. De verhalen, die verteld werden, waren hartverscheurend.
Gelukkig was het huis van Goyart gespaard gebleven.
Om herhalingen te voorkomen had het stadsbestuur een verbod uitgevaardigd om nog huizen met rieten daken te bouwen. Bestaande huizen met deze daken moesten binnen tien jaar een dak van lei of stenen tegels hebben. Daarvoor gaf het stadsbestuur subsidie, wat wel ten koste ging van de accijns op bier en wijn.
Kerkmeester Wouter Broc.
Wouter Brock stond vol bewondering omhoog te kijken naar de toren van de Lambertuskerk van Haaren. Het was een flinke bouw geweest, maar de kerk was nu helemaal af.
Heijlwich, zijn vrouw, kneep hem in zijn arm en zei: “Het is echt een prachtige kerk. Ik ben er trots op dat jij de eerste kerkmeester bent geworden.”
“Dank je”, antwoordde Wouter glimlachend. De schepenbank had hem gevraagd om kerkmeester te worden, nu ze officieel een eigen kerk hadden.

De geschiedenis van de Oude Toren (Oisterwijk in Beeld)

De oude toren van de Sint Lambertuskerk in Haaren. (Haaren, toren, overblijfsel van de middeleeuwse Sint Lambertuskerk.
Als kerkmeester had hij een belangrijke taak. Hij moest de dagelijkse financiën beheren voor de kerkgemeenschap. Maar ook had hij de dagelijkse zorg voor het kerkgebouw en alles wat daarbij hoorde. Ook het innen van de cijnzen en vorderingen van de parochie hoorde bij zijn taak. Gelukkig was er nog een kerkmeester en hoefde hij niet alles alleen te doen. Het was een verantwoordelijke positie, die hem tegelijkertijd lid van de raad van schepen maakte. Daar werden vaak belangrijke beslissingen genomen.
Hij moest denken aan Hiëronymus Bosch, de schilder uit Den Bosch. Hij was er geweest om te kijken of het mogelijk was een altaarstuk te laten maken. In zijn nieuwe huis "Inden Salvatoer" had hij enkele schilderijen van de beroemde kunstschilder gezien. Hij was geschrokken van de voorstellingen. Nu begreep hij waarom ze Jeroen "den duvelmakere" noemde. Al zijn schilderijen zaten vol met duivels, demonen en andere angstwekkende figuren. Met zijn mede schepen hadden ze al snel besloten om er van af te zien, maar ook omdat de vraagprijs te hoog was.
Hij keek nog eens naar de imposante steunberen. Jammer, dat zijn opa dit niet had kunnen meemaken. Opa Willem Brock was wel oud geworden, maar toch had hij hem niet meer gekend, evenals zijn oma Aleijdis. Oom Jacob, oom Claes en tante Mechtildis had hij nog wel vaak ontmoet bij familie bijeenkomsten. Soms gingen ze naar de hoeve Ten Halve in Helvoirt naar zijn oom Claes.
Zijn vader Peter Brock was nu ziek, maar had de bouw van de kerk en zijn uitverkiezing wel gevolgd. Ook zijn moeder Elisabeth Wouters van der Staeck was trots. Wouter kwam uit een groot gezin van negen, maar hij had zijn mannetje gestaan tussen zijn broers Jan, Peter, Willem, Henric, Aert en Antonie en zijn zussen Hadewych en Christine. De vijf kinderen uit een eerder huwelijk van zijn vader waren toen al het huis uit.
Zelf had hij inmiddels zes kinderen: Peter, Wouter, Elisabeth, Jan, Jutta en Hendrick. Wouter was tevreden. Hij had het goed hier, een mooi huis in Belveren bij Haaren en een vooraanstaande positie. Haaren was best een mooi dorp, dat lag op een verhoogde heidevlakte. Het was langgerekt en er liepen talloze beekjes, zoals de Raamse Loop, de Kempenloop, de Ruijsbosche Waterloop, het Elsbroeks Waterloopje en de Essche Stroom, die een uitloper was van de Oude Leij.
Belveren had al voordat de kerk er was een gebedshuis gehad, namelijk de Sint Martinuskapel, die in ieder geval al meer dan 200 jaar er had gestaan. Hij bevond zich in de Belvertsestraat, dicht bij kasteel Nemerlaer. Sint Martinus was hier altijd al vereerd .
Zijn grootvader Willem, maar ook zijn vader was landbouwer geweest. Zelf had hij ook een mooie hoeve aan de Belvertsestraat en flink wat grond in de omgeving. Ze waren rijk en hadden aanzien.
Gezellig kletsend wandelden ze terug naar huis langs de Sint Martinuskapel in de Belvertsestraat.
In de verte lag kasteel Nemerlaer, eigenlijk heette het Amelaer naar het riviertje de Amer . Het was een burcht met een dubbele gracht eromheen. Via een houten ophaalbrug op jukken was een stenen poort in de voorburcht bereikbaar.

“ Kasteel Nemerlaer” door J. Stellingwerf (1662)
Plotseling schoven donkere wolken voor de zon en al snel vielen de eerste druppels. Zonder nog verder aandacht voor de omgeving te hebben haastten Wouter en Heijlwich zich naar huis.
Wouter Wouter Brocken, de zoon van Wouter, stond met Andries Goessen van Uden, de broer van zijn vrouw Margriet, voor zijn huis in Belveren (Haaren) te praten. Ze hadden het over de grote politiek, over hoe Luther en de Hervorming steeds meer aanhang kreeg. Ook keizer Karel V kon er niets tegen beginnen.
Karel V had geprobeerd dezelfde wetten in te voeren in alle 17 gewesten, maar iedereen wilde baas blijven in eigen huis. Dat wilde men zich niet laten opleggen door de centrale regering in Brussel. De stad "s-Hertogenbosch wilde in 1525 de belasting niet betalen, maar Karel greep in door een leger de stad te laten innemen. De magistraat en 150 Bosschenaren moesten in zwarte boetekleren met een toorts in de hand blootvoets op de knieën vergiffenis vragen, de belasting betalen en nog een extra boete van 12.000 gulden. Andries was op dat moment ook in de stad en had alles gezien. Hij vertelde er Wouter Wouter uitgebreid over.
Toen in de stad Lutherse boeken in 1526 werden verkocht, had Karel twee inquisiteurs naar de stad gestuurd om de ketterij te onderzoeken, maar het was tevergeefs geweest, want er was nog meer gebeurd, vertelde Andries. Er was steeds meer tegenstand gekomen. Ook vonden steeds meer incidenten plaats. In 1528 schreef een kroniekschrijver: "Heden is geschied, wat nooit had mogen gebeuren: vijf of zes Lutheranen hebben het beeld van onsen Heere God op 't kerckhof de armen afgehouwen en met messen dorstoken. "
Andries, maar ook Wouter Wouter moesten niets hebben van die nieuwigheden. Wouter Wouter was en bleef katholiek.
Schepen Jan Wouter
Jan Wouter Brock had het altijd wel een bijzondere band gevonden, de relatie met de familie van Uden. Zijn vader Wouter Wouter Brock was de eerste keer gehuwd met Heijlwige Arien Boon. Hun zoon Adriaen, zijn halfbroer, was gehuwd met Christien, een dochter van de Oisterwijkse schepen Goossen Goossens van Uden. Na de dood van Heijlwige was zijn vader hertrouwd met een andere dochter van Goossen Goossens van Uden, Margriet (Marta), zijn moeder en van Peter, zijn broer. Vaak was Jan met zijn vader en moeder mee geweest naar de familie van Uden in Oisterwijk.
Zo was hij ook een keer bij een rechtszitting op de markt, die de Plaats werd genoemd, geweest. Daar moest het volk achter de vierschaar bij de oude linde plaatsnemen. Er was die dag een galg opgericht en op het schavot werd een misdadiger door de hangman (beul en scherprechter) uit 's-Hertogenbosch opgehangen. Het dode lichaam werd daarna aan de buitengalg gehangen waar het door vogels aangevreten kon worden tot het was vergaan. Het was een signaal voor reizigers om hier in Oisterwijk vooral niets uit te halen. De buitengalg stond bij het Galgeven en Pierenberg in Heukelom.
Zelf was Jan Wouter Brock een gezegend man geworden, vond hij. Hij was met Willelma Christiani Boonen getrouwd en had een groot gezin van elf kinderen: Gerart, Adriaen, Johannes, Jan, Corstiaen, Eymbert, Wouter, Lucia, Huybert, Neeltgen en Anthonis. Ook bezat hij veel grond in de Cromvoirtse Beemden en in Haaren.
Bovendien was hij net als zijn opa gevraagd voor de schepenraad. Als gezworen dorpsmeester had hij zitting in de schepenraad. Hoewel Haaren een zelfstandige parochie was, maakte het wat bestuur betrof deel uit van de “Eninghe van Oisterwijk” . Deze schepenbank omvatte de Vrijheid van Oisterwijk, Haaren, Udenhout, Berkel, Enschot, Heukelom, Tilburg en Moergestel. "Eninghe' betekende één. Er was één gezamenlijk bestuur over het gebied, die processen behandelden, testamenten lieten passeren en verkoopakten opstelden. De dorpen zelf hadden hun eigen bestuur, die de dorpsrekening maakten, belastingen deden, geld leenden voor het dorp, enz. Naar de Kwartiers-vergaderingen stuurden ze een eigen afgevaardigde.
Het bestuur van Haaren, het Corpus, bestond uit twee borgmeesters (één uit Haaren en één uit Belveren), twee armenmeesters en twee kerkmeesters. De borgmeesters zorgden voor de financiën: de belastingen, de uitgaven en de jaarrekening.
Het jaar 1540 was zwaar geweest voor de boeren. Ze hadden een hele droge zomer gehad, waarin geen spat regen was gevallen van juli tot eind september. Het vee was massaal gestorven door gebrek aan water en gras. Dat had de nodige kosten met zich meegebracht.
Vlak voor de Tachtigjarige Oorlog ontsnapte Haaren nog aan volledige verwoesting. Maarten van Rossum had trouw gezworen aan Willem V van Kleef, die een bondgenootschap had met Frankrijk en Denemarken . Daarom kon Maarten van Rossum een veldtocht beginnen tegen de Habsburgers.
Op 15 juli 1542 verklaarde hij hertogdom Brabant de oorlog. Omdat het plan om bij Maastricht de Maas over te steken ontdekt was, ging hij met zijn Gelderse troepen bij Nijmegen de Maas over en trok al plunderend, verwoestend en brandschattend door het Brabantse land. Rode (Sint-Oedenrode) werd platgebrand, evenals Vught.
Ook Oirschot en Oisterwijk kwamen aan de beurt.
Moergestel, maar ook Haaren had de verwoesting afgekocht. Dat had flink wat gekost. Een tijdlang waren ze nog bang geweest, dat het mis kon gaan, maar gelukkig viel het mee. De schepenen Jan Andriessoen van Erp, Ghijsbrecht Luenissoen van Meeghen, borgmeester Jan Laureyssen, klerk der vrijheid Oisterwijk Willem van der Bruggen, de dorpsmeesters Wouter Cornelissoen en Jan Wouter Brock, Peter Geritssoenen Imbrecht Jan Peyenburchs kerkmeesters, Jan Peters en Adriaen Broecken H.Geestmeesters van Haren en Belveren, allemaal waren ze het er over eens geweest. Oisterwijk zou moeten betalen voor de onkosten, die Haaren gemaakt had.

Maarten van Rossum
Er werd in 1546 een verzoek ingediend, maar Oisterwijk vond het ongefundeerd, was zelf slachtoffer geworden en wees tot teleurstelling van de Haarense schepenraad het verzoek af. Gelukkig had Jans vader, die inmiddels overleden was, dit allemaal niet hoeven meemaken.
Bij de volgende schepenraad samenstelling werd Jan Wouter gevraagd voor kerkmeester van de Lambertuskerk. Dat vond hij een hele eer en deed dat graag, waarbij hij terug moest denken aan zijn opa Wouter, die zelfs de eerste kerkmeester van de Lambertuskerk was geweest.
Een van zijn eerste taken was te zorgen voor de verfraaiing van het middenschip. Daar moest wel geld voor vrijgemaakt worden. Samen met de andere kerkmeester Eymbert Peynenborchs had hij overlegd over de verkoop van grond, zo dat het een en ander gerealiseerd kon worden.
Meester Jan Brock.
Jan Wouter zat geknield in de Sint Jan. Een ver familielid Jan Brock werd begraven. Samen met zijn zoon Adriaen was hij naar de stad gegaan om wat inkopen te doen, maar eerst waren ze naar de Sint Janskathedraal gegaan om de laatste eer te bewijzen aan meester Jan Brock met wie hij vaak zaken had gedaan.
Jan Brock was notaris geworden in 's-Hertogenbosch. Hij was er een belangrijk man en bovendien zelfs één van de rijkste van de stad.
Zijn notariële bevoegdheden waren in 1531 op keizerlijk gezag bevestigd (sacra imperiali aucthoritate continuatus). In de voet van zijn gestempelde signet stond het motto: "Cor hominis disponet viam suam", letterlijk vertaald: de weg van de mens wordt door zijn hart bepaald. Dit motto kwam uit Spreuken 16 vers 9: Cor hominis disponet viam suam, sed Domini est dirigere gressus eius, wat zoveel betekent als “ Het hart van een mens overdenkt zijn weg, maar de Heer richt zijn schreden .”
In een akte van 1536 had hij zich clericus Busciducensis genoemd en onder een afschrift van een akte uit 1537 ook geswoeren clerck tsHertogenbossche. Dit betekende dat hij aan het hoofd stond van de secretarieklerken . Met Pasen 1541 werd hij ook nog stadssecretaris. Jan Wouter wist nog, dat de man in 1541 als secretaris samen met de schepen meester Marten die Greve naar Brussel was gezonden om daar met de gedeputeerden van andere steden te overleggen over de misbruiken die plaats zouden vinden op de veestapel van Dordrecht. Na 14 dagen bereikten ze een akkoord met de prins van Oranje over de tol van Baarle-Nassau. Twee maanden later moesten ze opnieuw naar Brussel in verband met de tol te Baarle-Nassau en tevens om de "groote abusen ende nyewicheyden" te bestrijden waarmee de warandmeester (jachtmeester) van Brabant en de pachter van de houtschat de inwoners van de Meierij kwelden. Deze onderneming duurde bijna een maand. Jan Wouter had er het een en ander over gehoord.

Wapen van Mr. Jan Brock zoals het is afgebeeld in het wapenboek van de Lieve Vrouwen Broederschap. Het boek is gedateerd 1606.

Kopie van een akte die waarschijnlijk door Jan Brock zelf geschreven is. Er staat geschreven: "Geconfereert dese copie ofte extracte ... // principalen testamente, is de zelve copi[e] // ofte extracte van woerde tot woerde // bevonden daer mede accorderende bij mij // Jan Brock geswoeren clerck tshertogenbossche // als openbaer notarys byde keij... m... // gecontinueert."
Meester Jan Brock had in de Hinthammerstraat gewoond, dichtbij de Sint Jan. Net voor zijn dood woonde Jan in de Claerenstraet, waar toen ook zijn zoon Ariaen woonde. Hij was eerst getrouwd met Maria Adriaens van der Mazen. Met haar had hij een zoon Adriaen. Na haar dood trad hij voor de tweede maal in het huwelijk met Henrica Jacob Spycker. Ze kregen een dochter Jenneke. Het derde huwelijk was met een Agnees.
Jan was gezworen broeder van de O.L.V.-broederschap. De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap werd in 1318 in 's-Hertogenbosch opgericht door een aantal Bossche geestelijken ter ere van Maria. Aanvankelijk waren alleen geestelijken lid, maar vanaf 1371 werden ook anderen toegelaten, onder wie vrouwen. Bij de broederschap stond de Mariaverering en de armenzorg centraal. Ook zorgde de broederschap voor cultuurontwikkeling, waaronder muziek.
Jan Brock was secretaris gebleven tot aan zijn dood op 28 december 1559 in 's-Hertogenbosch.
Jan Wouter vond het vanzelfsprekend, dat hij op de begrafenis moest zijn. Samen met zijn zoon bad hij na afloop van de plechtigheid nog even in de Mariakapel. Hij keek naar het Mariabeeld. De Zoete Moeder werd ze genoemd of De Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch.
Het was helemaal niet zo'n mooi beeld, dat een steenhouwer zo'n 200 jaar terug bij de bouw van de kathedraal tussen afvalhout had gevonden.

Mariabeeld getooid met de gebruikelijke statie mantel in de Mariakapel

Het mirakelboek Mirakelen van Onse Lieve
Vrouwe tot sHertogenbosch
Het had sindsdien voor veel wonderen gezorgd, die allemaal werden opgetekend in het boek “Mirakelen van Onse Lieve Vrouwe tot sHertogenbosch”.
Het Mariabeeld was beroemd geworden. Er kwamen regelmatig bedevaarten, zelfs uit verre landen. En na de pest werden er ook processies gehouden door de binnenstad. De Mariaomgang. Er ging een verhaal rond, wist Jan Wouter, dat in de dagen van de pest, ze zeiden in 1368, het beeld van Maria tijdens een stormachtige nacht door de stad was getrokken en dat de volgende ochtend alle pestlijders genezen waren. Het beeld had weer keurig op zijn plaats gestaan, maar de voeten en de zoom van haar kleed zaten vol modder als getuigenis van haar nachtelijke tocht. Uit dankbaarheid hield men elk jaar een plechtige omgang met het beeld.
Nadat ze een poos gebeden hadden, liepen ze langs de zuidelijke buiten zijbeuk van het koor, waar bij de tweede travee vanaf het transept in het midden van de noordelijke rij zijn grafzerk zou komen


Aangezien het grafopschrift in één keer geschreven (gebeiteld) lijkt, moet dit na de dood van Jutken , de vrouw van Adriaen Brock, zijn gebeurd, dus op 3 augustus 1618. Ook het wapen lijkt van 3 augustus 1618 te zijn, tegelijk met het opschrift.
Terug naar: